Handtekening echtgenote niet vereist bij borgstelling in normale uitoefening bedrijf

Meneer X en meneer Y zijn bestuurder van Boschlaendt Investments BV. Met deze onderneming lenen zij geld van particulieren om dat vervolgens te beleggen. Begin 2017 komt Boschlaendt met meneer A een overeenkomst van geldlening overeen. Meneer A leent een bedrag van €50.000 uit en ontvangt hier een rentevergoeding van 10% per jaar op. De rente wordt maandelijks betaald. Onderdeel van deze overeenkomst is een borgstelling van de bestuurders voor 50% van de hoofdsom. De lening moet op 31 december 2017 volledig aan meneer A worden terugbetaald. In augustus 2017 stopt Boschlaendt met het betalen van de maandelijkse rente. Meneer A verzoekt het bedrijf om de lening terug te betalen maar hij ziet geen cent van zijn inleg terug.

Boschlaendt en haar bestuurders verschijnen niet op de zitting

Dit is voor meneer A aanleiding om naar de rechter te stappen. Hij vordert in de eerste plaats dat Boschlaendt de volledige inleg inclusief de verschuldigde rente vanaf augustus 2018 terugbetaald. Dit komt neer op een bedrag van €52.500. Daarnaast vordert hij dat, wanneer Boschlaendt niet kan betalen, de bestuurders de helft van dat bedrag betalen op grond van de borgstelling. Dit komt neer op een bedrag van €26.250. Meneer A wil ook dat over de verschuldigde bedragen 10% rente wordt gerekend vanaf 1 januari 2018. Op de zitting verschijnt er niemand om Boschlaendt te vertegenwoordigen. Ook meneer X en meneer Y wonen de zitting niet bij. De rechter laat de zitting bij verstek doorgaan en wijst de vordering van meneer A deels toe. Volgens de rechter mag er pas vanaf 1 maart 2018 een rente van 10% over de verschuldigde bedragen worden berekend. Dit omdat alleen over achterstallige rente die over een vol jaar verschuldigd is opnieuw rente in rekening kan worden gebracht. Na deze uitspraak neemt meneer Y contact op met meneer A. Samen komen zij een schikking overeen waardoor Y niet langer deel uitmaakt van de procedure.

Geen sprake van een inspanningsverplichting en geen sprake van dwaling

In het verzet vordert Boschlaendt dat de uitspraak van de rechter wordt vernietigd. De rechter is van oordeel dat Boschlaendt haar verzet onvoldoende onderbouwd waardoor het verzet wordt afgewezen. Meneer X komt ook in verzet tegen de uitspraak. Hij voert aan dat in de overeenkomst geen sprake was van een borgstelling maar een inspanningsverplichting. Wanneer de rechter toch van oordeel is dat er sprake is van een borgstelling dan zal hij de overeenkomst deels vernietigen op grond van dwaling. Mocht de vernietiging niet slagen dan beroept hij zich op het feit dat er geen borgstelling overeen is gekomen omdat zijn echtgenoot niet heeft meegetekend. Dit was volgens hem wel vereist omdat hij de borgstelling niet is aangegaan ten behoeve van de normale uitoefening van het bedrijf van Boschlaendt. De rechter is van oordeel dat uit de overeenkomst voldoende duidelijk wordt dat meneer X naast zijn bedrijf gezamenlijk schuldenaar is. Het gaat dus niet om een inspanningsverplichting maar om een borgstelling. Daarnaast overweegt de rechter dat meneer X onvoldoende heeft onderbouwd dat er sprake is geweest van dwaling waardoor hij de overeenkomst niet deels kan vernietigen.

Geld lenen was onderdeel van normale uitoefening van bedrijf

Het laatste verweer van meneer X ziet op het feit dat zijn echtgenoot de borgstelling niet heeft getekend en dat deze daarom ongeldig is. Om vast te stellen of het meetekenen van de echtgenote van meneer X een vereiste is moet de rechter beoordelen of de borgstelling is getekend in de normale uitoefening van bedrijf. Meneer X houdt zich met zijn bedrijf, Boschlaendt, bezig met het lenen van geld om dit vervolgens te beleggen. In de leningsovereenkomst tussen meneer A en Boschlaendt staat duidelijk dat het geleende geld belegd zou gaan worden. Op basis van dit feit komt de rechter tot het oordeel dat de met de lening verbonden borgstelling is aangegaan in de normale uitoefening van bedrijf van Boschlaendt. Nu er sprake is van een normale uitoefening van bedrijf is niet vereist dat de echtgenote van meneer X de borgstelling ook ondertekent. Het verweer van meneer X wordt daarmee verworpen door de rechter. Nu het verweer van meneer X wordt verworpen kan de vordering van meneer A worden toegewezen. De rechter laat haar eerdere vonnis dat bij verstek is gewezen in stand.

Klik hier voor de volledige uitspraak van de Rechtbank Oost-Brabant.

Sylvia Rietbroek

Wij staan voor u klaar

  • Tegen financiële dienstverleners
  • 10+ jaar ervaring
  • Eerlijk en transparant
Laat ons u helpen of bel 0416 65 00 86
Victor Welten

Wij helpen u graag

  • Tegen financiële dienstverleners
  • 10+ jaar ervaring
  • Eerlijk en transparant