De consument heeft in 1996 een hypothecaire geldlening van fl. 180.000,00 (€ 81.680,44) bij de bank afgesloten. In juli 1999 is de hypothecaire geldlening verhoogd. Daarbij is ook een levensverzekering afgesloten.

Per 1 maart 2000 heeft de consument op advies en door bemiddeling van een andere tussenpersoon nog een beleggingsverzekering bij de verzekeraar afgesloten, het zogeheten Privé Lijfrentefonds (hierna: de lijfrenteverzekering).

Bij brief van 12 augustus 2016 heeft de consument geklaagd bij de bank over de zorgplicht bij de advisering van de verzekering en de lijfrenteverzekering. Daarop heeft de bank bij brief van 14 september 2016 gereageerd, waarbij zij aansprakelijkheid heeft afgewezen. Vervolgens heeft de consument op 27 september 2016 bij Kifid een klacht tegen de bank ingediend.

De consument heeft de lijfrenteverzekering per 18 december 2019 beëindigd.

De klacht en vordering

De consument verwijt de bank dat zij bij de verhoging van de hypothecaire geldlening in 1999 een levensverzekering met een hoge vaste dekking van fl. 200.000,00 (€ 90.756,04) heeft voorgeschreven zonder dat daarvoor een noodzaak bestond. Daarnaast verwijt de consument de bank ook dat zij adviesfouten heeft gemaakt bij het afsluiten van de verzekering en de lijfrenteverzekering, en tijdens de looptijd daarvan, waarmee de bank tekort zou zijn geschoten in haar zorgplicht.

De consument houdt de bank aansprakelijk voor haar schade, die zij begroot op € 25.324,-.

De beoordeling

Heeft de bank een (te hoge) overlijdensrisicodekking verplicht gesteld? De bank heeft aangevoerd dat een overlijdenrisicoverzekering volgens haar standaardbeleid pas werd verlangd voor het gedeelte van de geldlening dat groter was dan 75% van de executiewaarde van het onderpand. In het geval van de consument zou de bank daarom genoegen hebben genomen met een overlijdensrisicodekking van fl. 51.250,00.

Tegenover de gemotiveerde betwisting van de bank had de consument naar het oordeel van de commissie haar verwijt nader met bewijzen moeten onderbouwen. Die onderbouwing ontbreekt. Uit de stukken blijkt verder ook niet dat de bank een overlijdensrisicodekking als voorwaarde heeft gesteld bij de verhoging van de geldlening in 1999.

De bank was niet de adviseur De commissie overweegt dat de bank niet als adviseur optrad, maar enkel als geldverstrekker fungeerde. Voor zover de klachten van de consument zien op de destijds gegeven informatie en het advies over de verzekering en de lijfrenteverzekering, kan de bank daarvan dus geen verwijt worden gemaakt. De bank is daarvoor niet aansprakelijk.

De beslissing

De commissie wijst de vordering af.

Lees hier de hele uitspraak.

Financieel Recht Advocaten

Heeft u het vermoeden dat u schade heeft geleden als gevolg van slecht advies van uw hypotheekadviseur en/of bank? Neem dan hier vrijblijvend contact op met een van onze advocaten. Ons kantoor heeft ruime ervaring met het procederen tegen banken, tussenpersonen, financieel adviseurs, hypotheekadviseurs, beleggingsadviseurs alsmede vermogensbeheerders.

Joost Papeveld

Wij staan voor u klaar

  • Tegen financiële dienstverleners
  • 10+ jaar ervaring
  • Eerlijk en transparant
Laat ons u helpen Laat ons u bellen
Jip van Vlokhoven

Wij helpen u graag

  • Tegen financiële dienstverleners
  • 10+ jaar ervaring
  • Eerlijk en transparant