Uitspraak: Bankrelatie opgezegd na cliëntenonderzoek, vorderingen afgewezen

In een recent kort geding tussen eisers X en Y en ABN AMRO Bank heeft de voorzieningenrechter de vorderingen van X en Y afgewezen. De bank had de betaalrekening van X en twee van zijn ondernemingen opgezegd vanwege integriteitsrisico’s en het niet kunnen afronden van een verscherpt cliëntenonderzoek. Bovendien weigerde de bank een zakelijke bankrekening te verstrekken aan de levenspartner van X. De voorzieningenrechter oordeelde dat de bank niets te verwijten valt.

Achtergrond van het geschil

X dreef sinds 2007 een eenmanszaak en exploiteerde een zonnebankstudio en verkocht roestvrijstalen meubilair. Vanaf 2009 startte X samen met een derde een tweede bedrijf. Beide ondernemingen bankieren onder meer bij ABN AMRO Bank. In 2016 werd X strafrechtelijk veroordeeld voor het witwassen van ruim € 500.000. In hoger beroep werd deze veroordeling gedeeltelijk bekrachtigd. X heeft cassatieberoep ingesteld tegen deze veroordeling.

In het kader van het doorlopend klantonderzoek heeft de bank vanaf medio 2020 informatie opgevraagd over de ondernemingen van X. Ondanks herhaaldelijke antwoorden en aanvullende informatie van X en zijn boekhouder, was dit onvoldoende voor de bank. De bank beëindigde de bankrelatie met X en zijn twee ondernemingen op grond van artikel 35 Algemene Bank Voorwaarden.

Y, de levenspartner van X, dreef vanaf 2019 een eenmanszaak die actief was in de handel in roestvrij stalen meubelen. De bank weigerde een zakelijke rekening voor Y te openen, omdat zij zowel privé als zakelijk nauw verbonden was met X en ook binnen haar eenmanszaak vaak contant werd betaald.

De vorderingen in kort geding

X en Y startten een kort geding en vorderden bij voorlopige voorziening dat de bank de bankrelatie met X herstelde en aan Y een zakelijke bankrekening verstrekte. Daarnaast vorderden zij de verwijdering van hun gegevens uit de CAAML-lijst van de bank.

Oordeel van de voorzieningenrechter

De voorzieningenrechter oordeelde dat de vorderingen alleen kunnen worden toegewezen als hij ervan overtuigd is dat de bodemrechter de vorderingen ook zal toewijzen en de bodemprocedure niet kan worden afgewacht. Het spoedeisend belang is gegeven gezien de aard van de zaak.

De voorzieningenrechter stelde dat banken op grond van de Wwft een verantwoordelijkheid hebben bij het signaleren van financieel-economische criminaliteit en andere integriteitsrisico’s. Banken moeten zo veel mogelijk voorkomen dat het financiële systeem voor oneigenlijke doelen wordt misbruikt. Om dit te bewerkstelligen, moeten zij onderzoek doen naar hun cliënten en de verzamelde informatie zo veel mogelijk actueel houden. Indien de bank haar onderzoek niet kan voltooien, dient zij de relatie met de klant te beëindigen op grond van artikel 5 lid 3 Wft. Het is niet noodzakelijk dat er concrete bewijzen zijn dat de klant betrokken is bij criminele activiteiten. Klanten zijn verplicht om de bank te voorzien van de benodigde informatie om het cliëntenonderzoek uit te voeren op basis van de Algemene Bankvoorwaarden.

De voorzieningenrechter oordeelde dat de bank op basis van haar cliëntenonderzoek een aantal tekortkomingen had vastgesteld, die aanwijzingen vormden voor een verhoogd risico op strafbare feiten en aantasting van de integriteit van het financiële stelsel. Dit verhoogde risico rechtvaardigt een kritisch onderzoek door de bank naar het gebruik van de bankrekeningen. Dit geldt met name omdat X in twee instanties is veroordeeld wegens gewoontewitwassen, en ondernemingen actief in de persoonlijke dienstverlening, zoals zonnestudio’s, een verhoogd risico op witwassen kennen.

De voorzieningenrechter stelde vast dat op een aantal openstaande vragen nooit een antwoord is gekomen. Door de vastgestelde en niet verklaarde inconsistenties mocht de bank concluderen dat voortzetting van de relaties met X onaanvaardbare integriteitsrisico’s opleverde. De opzegging was dan ook niet onaanvaardbaar volgens de maatstaven van redelijkheid en billijkheid.

Ten aanzien van het weigeren van een zakelijke (basis)betaalrekening voor Y, oordeelde de voorzieningenrechter dat de bank terecht stelde dat de ondernemingen van X en Y met elkaar vervlochten leken. Dit leverde voor de bank een aanmerkelijk integriteitsrisico op, waardoor zij niet verplicht was om met Y te contracteren.

Tot slot oordeelde de voorzieningenrechter dat de registratie van X op de CAAML-lijst, gezien het voorgaande, in stand kon blijven. Er is niet gebleken dat Y op de lijst is geregistreerd.

Eindoordeel

De voorzieningenrechter wees de gevraagde voorzieningen af en veroordeelt eisers in de proceskosten. Rechtbank Amsterdam, 22 december 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:7709.

Financieel Recht Advocaten

Wij van Financieel Recht Advocaten hebben veel ervaring met het procederen tegen financiële instellingen als het gaat om het Wwft onderzoek. Heeft u vragen met betrekking tot verplichtingen van de Wwft, het cliëntenonderzoek (KYC onderzoek), Customer Due Dilligence (CDD) of de registratie van uw persoonsgegevens in interne of externe verwijzingsregisters (EVR/IVR). Neem dan vrijblijvend contact op met een van onze advocaten.

Fabienne de Jong

Wij staan voor u klaar

  • Tegen financiële dienstverleners
  • 10+ jaar ervaring
  • Eerlijk en transparant
Neem contact op

Wij helpen u graag

  • Tegen financiële dienstverleners
  • 10+ jaar ervaring
  • Eerlijk en transparant