“Een bank mag iemand wegens een aangepast bankafschrift in het EVR opnemen als voldoende vaststaat dat sprake is van bewuste manipulatie van relevante informatie en de duur van de registratie proportioneel is.”
Inleiding
De Geschillencommissie van Kifid beoordeelde op 1 mei 2026 een klacht over registratie in het Intern Verwijzingsregister, het Incidentenregister en het Extern Verwijzingsregister. De uitspraak heeft nummer 2026-0413 en is gegeven als bindend advies tegen Coöperatieve Rabobank U.A. Centraal staat de vraag wanneer een bank iemand wegens een aangepast bankafschrift in het EVR mag opnemen. De uitspraak is interessant omdat de commissie niet alleen kijkt naar de vraag óf een document onjuist was, maar vooral naar wat de omstandigheden zeggen over opzet, geloofwaardigheid en proportionaliteit. Daarmee gaat deze zaak niet over EVR-registratie in abstracte zin, maar over een concrete kredietaanvraag waarbij volgens Kifid voldoende vaststond dat de consument de bank wilde bewegen een lening te verstrekken op basis van gemanipuleerde informatie.
EVR in dit specifieke geval: het aangepaste bankafschrift stond centraal
De consument had op 26 maart 2025 bij Rabobank een kredietaanvraag gedaan voor een persoonlijke lening van € 39.000. Een dag later leverde hij een bankafschrift van Knab aan. Volgens de bank kwam dat aangeleverde bankafschrift niet overeen met het echte bankafschrift. Op het document stonden witregels op plaatsen waar in het echte bankafschrift transacties stonden. Anders gezegd: enkele transacties ontbraken.
Dat detail was voor de zaak belangrijk. De commissie vermeldt dat de bank had aangevoerd dat juist de ontbrekende transacties van invloed waren op de kredietverstrekking. Het ging dus niet om een onschuldige lay-outafwijking zonder financieel belang, maar om weggelaten informatie die relevant kon zijn voor de beoordeling van de kredietaanvraag.
De bank registreerde de consument vervolgens voor acht jaar, tot en met 26 maart 2033, in het IVR, het Incidentenregister en het daaraan gekoppelde EVR. De consument vorderde verwijdering uit zowel de interne als externe registers. Hij betwistte dat hij het bankafschrift bewust had aangepast.
Voor wie te maken krijgt met bezwaar tegen EVR-registratie is vooral van belang dat Kifid de zaak feitelijk benadert. De vraag was niet alleen of het document afweek van het origineel, maar ook of de verklaring van de consument voldoende aannemelijk was tegenover de technische en inhoudelijke bevindingen van de bank.
Waarom de verklaring van de consument niet overtuigde
De consument verklaarde dat het hem niet lukte om het bankafschrift als pdf te downloaden. Daarom zou hij het afschrift eerst als Excel-bestand hebben gedownload en daarna naar pdf hebben omgezet. Volgens hem konden daardoor regels zijn versprongen of weggevallen.
Kifid vond die verklaring niet geloofwaardig. Daarbij speelde mee dat een Excel-bestand wel naar pdf kan worden omgezet, maar dat zo’n omzetting niet vanzelf de volledige lay-out en opmaak van een origineel bankafschrift oplevert, inclusief naam, logo, stijl en verdere vormgeving van Knab. Het door de consument aangeleverde document had volgens de commissie juist wel de uitstraling van een origineel bankafschrift.
Ook de tijdlijn werkte tegen de consument. In de documenteigenschappen was zichtbaar dat het bestand op 27 maart 2025 om 11:00:11 uur was gemaakt en diezelfde dag om 11:19:02 uur was gewijzigd. Bij een niet-aangepast document is volgens de uitspraak geen wijzigingsdatum zichtbaar of is die gelijk aan de aanmaakdatum.
Daar kwam bij dat de consument tijdens een telefoongesprek met de bank op 28 maart 2025 niet meteen de Excel-naar-pdf-verklaring gaf. Hij zou toen hebben gezegd dat hij het bankafschrift als pdf had gedownload en direct naar de bank had gestuurd. Die verklaring stond haaks op zijn latere uitleg. Voor Kifid waren die wisselende verklaringen een belangrijke reden om zijn verhaal ongeloofwaardig te vinden.
Dit maakt de uitspraak relevant voor geschillen over bankfraude en registratie: een betrokkene kan niet volstaan met de algemene stelling dat sprake was van een technisch probleem. De verklaring moet passen bij het document, de metadata, de eerdere communicatie en de concrete afwijkingen.
De juridische drempel voor EVR: meer dan een redelijk vermoeden
Het EVR is het externe waarschuwingssysteem waarin financiële instellingen kunnen zien dat over een persoon een melding bestaat. Het register bevat verwijzingsgegevens. Andere aangesloten financiële instellingen kunnen bij een hit nadere informatie opvragen via de afdeling veiligheidszaken. De gevolgen kunnen aanzienlijk zijn, omdat andere banken of financiële dienstverleners daardoor terughoudend kunnen worden bij het aanbieden van producten of diensten.
Juist vanwege die gevolgen gelden hoge eisen. De commissie verwijst naar het Protocol Incidentenwaarschuwingssysteem Financiële Instellingen, het PIFI. Op het moment van registratie, 14 april 2025, gold het PIFI 2021. Voor opname in het EVR moet onder meer sprake zijn van gedragingen die een bedreiging vormen voor de belangen van cliënten, medewerkers, de instelling of de financiële sector. Daarnaast moet de registratie gerechtvaardigd zijn en moet het proportionaliteitsbeginsel worden nageleefd.
Belangrijk is dat Kifid ook verwijst naar het arrest van de Hoge Raad van 29 mei 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH4720. Daaruit volgt dat voor verwerking van strafrechtelijke persoonsgegevens in dit kader meer nodig is dan een redelijk vermoeden van schuld. De feiten moeten een zwaardere verdenking opleveren, in die zin dat de strafrechtelijke persoonsgegevens in voldoende mate vaststaan.
In deze uitspraak kwam Kifid tot de conclusie dat aan die drempel was voldaan. De consument had een aangepast bankafschrift aangeleverd, zijn verklaring werd ongeloofwaardig gevonden en de commissie achtte voldoende vastgesteld dat hij het bankafschrift bewust had aangepast om de bank te bewegen een krediet te verstrekken. Daarmee werden de eerste twee vereisten voor EVR-registratie vervuld.
Proportionaliteit: waarom acht jaar niet te lang werd gevonden
Een EVR-registratie mag niet alleen inhoudelijk terecht zijn; ook de duur moet proportioneel zijn. Proportionaliteit betekent dat het belang van de financiële sector bij waarschuwing moet worden afgewogen tegen de nadelige gevolgen voor de geregistreerde persoon. Bij een externe registratie ligt die afweging gevoelig, omdat de registratie invloed kan hebben op toekomstige bankrelaties, kredietaanvragen en andere financiële dienstverlening.
In deze zaak vond Kifid een registratieduur van acht jaar passend. De commissie kwalificeerde valsheid in geschrift en poging tot oplichting als ernstige vergrijpen. De bank mocht erop vertrouwen dat informatie die bij een kredietaanvraag werd aangeleverd volledig, juist en in ieder geval niet gemanipuleerd was. Dat geldt temeer bij een leningaanvraag, omdat de bank op basis van inkomens- en transactiedata moet kunnen beoordelen of krediet verantwoord is.
Tegenover het belang van de financiële sector had de consument volgens Kifid geen concreet belang bij verwijdering aangevoerd. Dat is een belangrijk onderdeel van de uitspraak. De commissie zag dus wel dat een EVR-registratie ingrijpend kan zijn, maar vond in deze zaak onvoldoende concrete omstandigheden die een kortere duur of verwijdering rechtvaardigden.
Ook woog mee dat de consument geen spijt had betuigd en geen openheid van zaken had gegeven. Tijdens de klachtprocedure bleef hij vasthouden aan zijn verklaring en voegde hij volgens de uitspraak nog een andere ongeloofwaardige verklaring toe: dat de aanpassingen zouden zijn ontstaan bij het uploaden van het bankafschrift in de portal van de bank.
Het verschil tussen een betwiste fout en bewezen genoeg fraude
Deze uitspraak laat goed zien dat Kifid onderscheid maakt tussen een enkele onduidelijkheid en een samenstel van omstandigheden dat fraude voldoende aannemelijk maakt. Een bank hoeft niet in strafrechtelijke zin te bewijzen dat iemand is veroordeeld voor valsheid in geschrift of oplichting. Maar zij moet wel voldoende concrete feiten hebben om de zware maatregel van EVR-registratie te dragen.
In dit geval lag de nadruk op de combinatie van vier punten. Het aangeleverde afschrift week af van het echte afschrift. De ontbrekende transacties waren volgens de bank relevant voor de kredietbeoordeling. De documenteigenschappen wezen op wijziging van het bestand. En de verklaringen van de consument veranderden op wezenlijke onderdelen.
Daarmee verschilt deze zaak van situaties waarin alleen sprake is van een administratieve fout, een onduidelijke transactie of een onvoldoende onderbouwd vermoeden van misbruik. Voor de praktijk rond procedure tegen een bank of financiële dienstverlener is die nuance belangrijk. Een EVR-registratie is niet automatisch gerechtvaardigd zodra een bank onregelmatigheden ziet. Maar als de feiten wijzen op bewuste manipulatie van informatie die relevant is voor kredietverlening, kan de drempel wel worden gehaald.
Interne registers volgen de externe beoordeling
Naast het EVR ging het ook om het Incidentenregister, de Gebeurtenissenadministratie en het IVR. Het Incidentenregister is gekoppeld aan het EVR. Zolang de EVR-registratie terecht en proportioneel is, kon volgens Kifid ook de registratie in het Incidentenregister blijven staan.
Voor de interne registers gold hetzelfde resultaat. De Gebeurtenissenadministratie en het IVR vormen het interne waarschuwingssysteem van de bank en de groep financiële ondernemingen waartoe de bank behoort. Omdat Kifid had vastgesteld dat sprake was van een zwaardere verdenking dan een redelijk vermoeden van fraude, was dat volgens de commissie voldoende om ook de interne registraties en de duur daarvan te handhaven. Daarbij verwijst de commissie naar artikel 33 lid 2 sub b van de Uitvoeringswet AVG.
In zaken over IVR-registratie bij de bank wordt soms gedacht dat interne registratie minder zwaar is dan EVR-registratie en daarom minder aandacht verdient. Deze uitspraak laat zien dat beide sporen samen kunnen lopen. Wie extern geregistreerd blijft, zal in veel gevallen ook intern geregistreerd blijven, zeker wanneer dezelfde feiten aan beide registraties ten grondslag liggen.
Praktische betekenis voor kredietaanvragen en bankrelaties
De praktische betekenis van deze uitspraak ligt niet in een algemene waarschuwing dat elk afwijkend document tot EVR leidt. De betekenis is specifieker. Bij kredietaanvragen wordt de juistheid van aangeleverde financiële informatie zwaar gewogen. Als een bank kan onderbouwen dat een bankafschrift is aangepast en dat relevante transacties ontbreken, kan dat al snel worden gezien als een integriteitsrisico.
Voor de klant is vooral de bewijspositie van belang. Kifid kijkt naar concrete feiten: originele en aangeleverde documenten, metadata, timing, telefoongesprekken, eerdere verklaringen en de relevantie van ontbrekende informatie. In geschillen over WWFT-cliëntenonderzoek door de bank of beëindiging van een bankrelatie speelt vaak een vergelijkbare vraag: is er alleen twijfel, of is er een voldoende onderbouwd integriteitsrisico?
Ook voor geschillen over vastgoedfinanciering of opzegging van een hypotheek door de bank kan deze benadering relevant zijn. Banken hechten veel gewicht aan betrouwbare documentatie. Zodra inkomensstukken, bankafschriften of herkomstdocumenten niet kloppen, kan dat doorwerken in vertrouwen, kredietacceptatie en de beoordeling van de klantrelatie.
Tegelijk blijft proportionaliteit een zelfstandig toetsingspunt. Een bank moet kunnen uitleggen waarom registratie noodzakelijk is, waarom een minder zwaar middel niet volstaat en waarom de gekozen duur passend is. In deze zaak vond Kifid dat doel niet op een andere manier bereikbaar dan met een EVR-vermelding, omdat andere banken moesten kunnen worden gewaarschuwd voor eerdere fraude met betrekking tot de consument.
Afsluiting
Financieel Recht Advocaten staat cliënten bij in bank- en financiële geschillen waarin integriteit, registratie en toegang tot financiële dienstverlening centraal staan. Dat kan gaan om cliëntenonderzoek, WWFT-kwesties, beëindiging van bankrelaties, EVR/IVR-registraties, hypotheek- en financieringskwesties en procedures tegen banken of financiële dienstverleners. In dit type zaken draait het vaak om de precieze feiten, de onderbouwing van de bank en de vraag of de gevolgen nog in verhouding staan tot wat daadwerkelijk is vastgesteld. Vrijblijvend contact opnemen kan zinvol zijn wanneer er sprake is van een geschil dat om zorgvuldige beoordeling vraagt.
Praktische FAQ’s
Wat was de reden voor de EVR-registratie in deze zaak?
De bank registreerde de consument omdat hij bij een kredietaanvraag een bankafschrift had aangeleverd dat volgens Kifid was aangepast. Enkele transacties ontbraken, terwijl die volgens de bank van invloed waren op de kredietverstrekking.
Waarom vond Kifid de verklaring van de consument ongeloofwaardig?
De consument gaf wisselende verklaringen. Eerst zou hij het bankafschrift als pdf hebben gedownload en direct hebben verzonden, later stelde hij dat hij een Excel-bestand naar pdf had omgezet. Ook vond Kifid niet aannemelijk dat zo’n omzetting vanzelf een document met de lay-out van een origineel Knab-bankafschrift oplevert.
Is een strafrechtelijke veroordeling nodig voor EVR-registratie?
Nee. Voor EVR-registratie is geen strafrechtelijke veroordeling vereist. Wel moet sprake zijn van een zwaardere verdenking dan een redelijk vermoeden van schuld. De relevante feiten moeten in voldoende mate vaststaan.
Waarom mocht de EVR-registratie acht jaar duren?
Kifid vond de duur proportioneel omdat het ging om ernstige verwijten, namelijk valsheid in geschrift en poging tot oplichting. Verder had de consument geen concreet belang bij verwijdering aangevoerd, geen spijt betuigd en volgens Kifid geen openheid van zaken gegeven.
Heeft deze uitspraak ook betekenis voor IVR-registratie?
Ja. Omdat Kifid de EVR-registratie terecht en proportioneel vond, konden ook het Incidentenregister, de Gebeurtenissenadministratie en het IVR blijven staan. De interne registratie volgde in deze zaak dus de beoordeling van de externe registratie.