Financieel Recht Advocaten > Uitspraken > EVR registratie na verzwijging bij AOV-aanvraag: hof laat registratie staan maar verkort duur tot vier jaar
EVR registratie na verzwijging bij AOV-aanvraag: hof laat registratie staan maar verkort duur tot vier jaar
“Een verzekeraar mag een EVR-registratie opnemen wanneer voldoende vaststaat dat een verzekeringsaanvrager bij het afsluiten van een verzekering zijn precontractuele mededelingsplicht heeft geschonden met het opzet om de verzekeraar te misleiden. In deze zaak oordeelde het hof dat aan die voorwaarden was voldaan, zodat de registratie in het EVR en IVR mocht blijven bestaan. Wel vond het hof een registratieduur van acht jaar in de omstandigheden van het geval disproportioneel. Daarom werd de duur van de registratie verkort tot vier jaar.”
Deze uitspraak is relevant voor iedereen die een conflict heeft over een IVR- of EVR-registratie, of over een bezwaar- of verwijderingsverzoek onder de AVG. Het gaat om een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 2 december 2025, gepubliceerd op 11 maart 2026, onder ECLI:NL:GHARL:2025:7685. In hoger beroep stond de vraag centraal of ASR de persoonsgegevens van een verzekerde terecht had opgenomen in het Interne Verwijzingsregister (IVR) en het Externe Verwijzingsregister (EVR) wegens schending van de precontractuele mededelingsplicht met het opzet om de verzekeraar te misleiden bij de aanvraag van een arbeidsongeschiktheidsverzekering.
Voor cliënten is vooral van belang dat het hof twee dingen tegelijk zegt. Enerzijds kan een EVR-registratie rechtmatig zijn als in voldoende mate vaststaat dat een betrokkene betrokken is bij een gedraging die een bedreiging vormt voor de belangen van de verzekeraar of de integriteit van de financiële sector, en daarbij het proportionaliteitsbeginsel in acht is genomen. Anderzijds is een registratieduur van acht jaar niet automatisch gerechtvaardigd. Ook wanneer de registratie op zichzelf toelaatbaar is, moet de duur in het concrete geval proportioneel zijn. In deze zaak heeft het hof daarom een nieuwe belangenafweging gemaakt binnen het kader van de AVG, de UAVG en het Protocol Incidentenwaarschuwingssysteem Financiële Instellingen 2021 (PIFI), en de registratieduur teruggebracht van acht naar vier jaar. Dat maakt deze uitspraak juridisch en praktisch relevant voor geschillen met verzekeraars en, breder, voor discussies over frauderegistraties binnen de financiële sector.
De overstap van rechtbank naar hof: wat veranderde er echt?
In eerste aanleg liep de verzekerde volledig vast. De rechtbank Midden-Nederland wees haar vorderingen af en liet de opname van haar persoonsgegevens in het IVR en EVR in stand. Dat oordeel vormde het vertrekpunt voor het hoger beroep.
In hoger beroep verschoof het zwaartepunt deels. Het hof beoordeelde opnieuw of sprake was van schending van de precontractuele mededelingsplicht met het opzet om ASR te misleiden, maar kwam daarnaast nadrukkelijk toe aan de proportionaliteit van de registratieduur. Dat verschil is belangrijk. In procedures over een EVR- of IVR-registratie gaat het namelijk niet alleen om de vraag óf een financiële instelling mocht registreren, maar ook of handhaving van die registratie voor de gekozen duur nog gerechtvaardigd is.
Het hof vernietigde het vonnis van de rechtbank daarom niet omdat de registratie zelf onrechtmatig was, maar omdat een looptijd van acht jaar in dit geval te ver ging. De registratie bleef dus bestaan, maar niet voor de maximale duur van acht jaar onder het PIFI. Het hof verkortte de looptijd tot vier jaar, gerekend vanaf de eerste dag van opname in het EVR en IVR. Ook moest ASR het Centrum Bestrijding Verzekeringsfraude van het Verbond van Verzekeraars over die verkorting informeren. Dat is een wezenlijk ander resultaat dan in eerste aanleg: geen volledige verwijdering, maar wel een duidelijke beperking van de gevolgen. Op dat punt kreeg appellante in hoger beroep dus alsnog deels gelijk.
Wat had de verzekerde verzwegen?
De feiten zijn juridisch gezien zwaar belastend voor de verzekerde. In 2018 was zij als fietser betrokken bij een verkeersongeval, waarbij zij onder meer letsel aan de rechterschouder opliep. Daarna volgden medische onderzoeken, revalidatie en expertises. In augustus 2021 vond nog een orthopedische expertise plaats. In mei 2022 werd het letselschadetraject definitief afgewikkeld met een vaststellingsovereenkomst, waarna zij ongeveer € 447.500 aan schadevergoeding ontving van de betrokken WAM-verzekeraar. Die tijdslijn speelde een grote rol in de beoordeling van het hof.
Begin 2022 wilde zij een eigen tandartspraktijk starten. Voor de financiering stelde de bank onder meer als voorwaarde dat zij een arbeidsongeschiktheidsverzekering zou afsluiten. Zij vroeg vervolgens een AOV aan bij ASR en stuurde op 13 april 2022 een gezondheidsverklaring in. Daarin beantwoordde zij meerdere relevante vragen onjuist. Zo gaf zij “nee” op vragen over klachten of aandoeningen aan botten, spieren, pezen en gewrichten, op vragen over niet eerder genoemde klachten zoals pijnklachten, en op vragen over arbeidsuitval door lichamelijke of psychische klachten. Tegelijk gaf zij wél een huisartsencontact in 2021 wegens anticonceptie op.
Juist die combinatie woog zwaar. Het hof vond daardoor minder geloofwaardig dat zij de vragen vluchtig had ingevuld of dat zij dacht dat alleen actuele klachten hoefden te worden gemeld. In de toelichting bij de gezondheidsverklaring stond bovendien uitdrukkelijk dat ook oudere klachten, eerdere behandelingen, specialistische zorg, operaties en andere medische contacten moesten worden vermeld. Het hof leidde daaruit af dat de vragen niet vaag of dubbelzinnig waren, maar juist concreet en duidelijk. Tegen die achtergrond achtte het hof het niet aannemelijk dat een recent, omvangrijk en nog maar net afgerond letselschadetraject per ongeluk buiten beeld was gebleven.
Waarom zag het hof dit als opzettelijke misleiding?
Het juridisch zwaartepunt ligt bij de precontractuele mededelingsplicht. Wie een verzekering aanvraagt, moet vóór het sluiten van de overeenkomst alle feiten meedelen die hij of zij kent, of behoort te kennen, en waarvan duidelijk moet zijn dat de verzekeraar daarvan afhankelijk kan maken of, en zo ja op welke voorwaarden, de verzekering wordt gesloten. Bij een arbeidsongeschiktheidsverzekering is dat extra belangrijk, omdat de verzekeraar voor de risico-inschatting in hoge mate afhankelijk is van juiste informatie over gezondheid, klachten en uitvalrisico’s.
Het hof heeft de verklaringen van de verzekerde nadrukkelijk gewogen. Zij voerde aan dat zij dacht dat alleen actuele klachten hoefden te worden gemeld en verklaarde op andere momenten dat zij te snel en onnauwkeurig was geweest. Het hof vond die verklaringen wisselend. Daarbij woog mee dat het ongeval in 2018 had plaatsgevonden, terwijl de vragenlijst in 2022 werd ingevuld, dat in 2021 nog een orthopedische expertise had plaatsgevonden en dat de letselschadeafwikkeling pas één maand na het invullen van de vragenlijst definitief werd afgerond. Onder die omstandigheden achtte het hof het niet aannemelijk dat het ongeval niet meer op haar netvlies stond.
Daar kwam nog bij dat de verzekerde zelf had verklaard dat de AOV nodig was voor haar bankfinanciering bij de start van een tandartspraktijk. Het hof vond dat relevant, omdat daaruit volgt dat zij belang had bij het verkrijgen van de verzekering. Dat belang mocht het hof meewegen bij de beoordeling of sprake was van opzet om de verzekeraar te misleiden. Ook vond het hof niet overtuigend dat zij de verzekering slechts als formaliteit zag en er geen beroep op wilde doen. Kort na acceptatie stuurde zij immers een bericht aan ASR waarin zij aankondigde in verband met haar zwangerschap aanspraak te willen maken op een uitkering onder de AOV en vroeg hoe hoog die uitkering zou zijn. Volgens het hof paste dat niet bij haar stelling dat de verzekering alleen als tijdelijk administratief hulpmiddel was bedoeld.
Al deze omstandigheden samen brachten het hof tot het oordeel dat de verzekerde niet alle relevante feiten had meegedeeld die zij kende of behoorde te kennen, terwijl zij wist of behoorde te begrijpen dat die informatie van belang was voor de beslissing van ASR. Daarmee was volgens het hof sprake van opzettelijke misleiding in de zin van artikel 7:930 lid 5 BW.
Van mededelingsplicht naar EVR registratie
Een EVR-registratie volgt niet automatisch uit een fout in een aanvraag. Er moet eerst een juridische brug worden geslagen naar het PIFI. Dat protocol regelt hoe financiële instellingen persoonsgegevens kunnen verwerken in hun incidentenwaarschuwingssysteem. Het hof benadrukt dat opname in IVR en EVR een verwerking van persoonsgegevens is en dus moet voldoen aan de AVG en de Uitvoeringswet AVG. Het PIFI werkt die normen binnen de financiële sector nader uit.
Centraal staat het begrip incident. Volgens het hof valt opzettelijke misleiding van een verzekeraar onder dat incidentbegrip, omdat zo’n gedraging de belangen, integriteit of veiligheid van de financiële instelling of de financiële sector als geheel in het geding kan brengen. Voor opname in het EVR moet in voldoende mate vaststaan dat de betrokkene betrokken is bij een gedraging die een bedreiging vormt of kan vormen voor de financiële belangen van de instelling of voor de continuïteit en integriteit van de financiële sector. Daarnaast moet het proportionaliteitsbeginsel in acht worden genomen.
Dat laatste is cruciaal. Veel instellingen focussen in de praktijk vooral op de vraag óf zij mogen registreren. Maar juridisch is de tweede vraag minstens zo belangrijk: is deze registratie, in deze vorm en voor deze duur, nog wel evenredig? Het hof maakt in deze uitspraak duidelijk dat die beoordeling niet ophoudt bij het moment van registratie. Bij een bezwaar of verwijderingsverzoek moet opnieuw worden gekeken naar de huidige omstandigheden en naar de vraag of handhaving van de registratie nog gerechtvaardigd is. De eerste stap viel in deze zaak uit in het voordeel van ASR. De tweede stap niet volledig.
Wat betekende de AVG hier concreet voor het verwijderingsverzoek?
Het hoger beroep was niet beperkt tot een abstracte discussie over de rechtmatigheid van de oorspronkelijke registratie. De verzekerde had ook aangevoerd dat, als de registratie al mocht worden geplaatst, de duur ervan moest worden verkort. Tijdens de mondelinge behandeling heeft zij bovendien verduidelijkt dat zij bezwaar maakte tegen de registraties en verwijdering daarvan vroeg. Het hof heeft dat uitgelegd als een beroep op het recht van bezwaar onder artikel 21 AVG en als een verzoek om verwijdering op grond van artikel 17 lid 1 onder c AVG, in samenhang met het PIFI.
Dat is juridisch belangrijk. Bij zo’n bezwaar mag een financiële instelling niet eenvoudig terugvallen op de oorspronkelijke registratiebeslissing. Er moet een nieuwe belangenafweging worden gemaakt naar de huidige omstandigheden. De bewijslast dat er nog steeds dwingende gerechtvaardigde gronden voor verwerking bestaan, rust daarbij op de financiële instelling. Anders gezegd: ASR moest uitleggen waarom het noodzakelijk was dat de persoonsgegevens nog ongeveer 5,5 jaar langer in het EVR en IVR zouden blijven staan.
ASR wees op de ernst van de gedraging, de omvang van het verzekerde bedrag, de looptijd van de AOV, de weigering van de verzekerde om aan het onderzoek mee te werken, haar tegenstrijdige verklaringen en de belangen van andere financiële dienstverleners, waaronder de bank die om de AOV vroeg. Ook stelde ASR dat haar handelwijze een bedreiging kon vormen voor zorgverzekeraars die tandartsen financieren. Maar het hof vond die onderbouwing voor handhaving van de resterende registratieduur onvoldoende. Met name ontbrak een overtuigende toelichting waarom juist de maximale duur nog nodig was in het licht van de persoonlijke belangen van de verzekerde.
De proportionaliteit kreeg eindelijk echt gewicht
Hier zit een belangrijk praktisch punt van het arrest. Het hof erkende uitdrukkelijk dat een EVR-registratie iemand ernstig kan belemmeren bij het verkrijgen van financiële producten en diensten. In deze zaak had de verzekerde met stukken onderbouwd dat zij door de registratie ernstig werd gehinderd bij het starten van haar zelfstandige onderneming. Mede gezien haar leeftijd liep zij daardoor een achterstand op in haar professionele carrière. Daarnaast had zij voldoende inzichtelijk gemaakt dat zij geen optimale verzekering kon afsluiten voor haar ernstig zieke zoontje.
Het hof nam die gevolgen serieus. Dat is geen detail. In deze zaak vond het hof dat de belangen van de financiële sector weliswaar zwaar wogen, maar dat daartegenover ook concreet onderbouwde persoonlijke belangen stonden. Het proportionaliteitsbeginsel vereist dan een daadwerkelijke afweging van die belangen. Het hof vond dat ASR onvoldoende had toegelicht waarom de registratie nog ruim vijf jaar extra moest doorlopen, terwijl de nadelige gevolgen voor de verzekerde wél voldoende waren onderbouwd.
Tegelijk schoof het hof de ernst van de oorspronkelijke gedraging niet terzijde. Het bleef volgens het hof gaan om een ernstige schending van de mededelingsplicht met opzet om de verzekeraar te misleiden. Ook woog mee dat de verzekerde tijdens de mondelinge behandeling herhaaldelijk had erkend dat zij een ernstige fout had gemaakt. Juist die combinatie leidde tot een tussenuitkomst: niet verwijderen, wel verkorten. Vier jaar vond het hof nog gerechtvaardigd, langer niet.
Wat betekent dit voor cliënten met een EVR registratie of IVR-registratie?
Voor de praktijk zijn drie punten van belang.
Het eerste punt is dat een beroep op onduidelijkheid van een gezondheidsverklaring weinig overtuigt wanneer de vragen en toelichting juist expliciet en concreet zijn geformuleerd. In deze zaak woog mee dat het ging om een recent en omvangrijk medisch en letselschadetraject, terwijl in de toelichting uitdrukkelijk stond dat ook eerdere klachten, behandelingen en medische contacten moesten worden vermeld.
Het tweede punt is dat een financiële instelling niet kan volstaan met de constatering dat sprake was van een incident. Ook wanneer een registratie aanvankelijk rechtmatig is, blijft bij een bezwaar of verwijderingsverzoek een nieuwe belangenafweging nodig op basis van de huidige omstandigheden. In deze zaak was daarom niet alleen de rechtmatigheid van de oorspronkelijke registratie van belang, maar ook de vraag of handhaving voor de resterende duur nog proportioneel was.
Het derde punt is dat ook de duur van een EVR- of IVR-registratie afzonderlijk ter discussie kan staan. Deze uitspraak laat zien dat een rechter tot het oordeel kan komen dat een registratie op zichzelf toelaatbaar is, maar dat de maximale duur in het concrete geval niet gerechtvaardigd is. In deze zaak bleef de registratie bestaan, maar werd de looptijd teruggebracht van acht naar vier jaar.
Voor wie met een bank of verzekeraar in conflict is over een registratie, sluiten deze vragen aan bij bredere thema’s die in dit soort zaken vaker terugkomen, zoals het incidentbegrip, de dossieropbouw, proportionaliteit, AVG-bezwaar en de vraag of de financiële instelling haar besluit voldoende concreet en individueel heeft onderbouwd.
Conclusie
Een EVR registratie hoeft dus niet alles-of-niets te zijn. Deze uitspraak laat zien dat een financiële instelling stevig kan staan op de vraag of zij mocht registreren, maar toch kan verliezen op de duur van die registratie. Financieel Recht Advocaten behandelt dit soort geschillen tegen banken, verzekeraars en andere financiële instellingen, juist wanneer er al een bestaand conflict is over EVR, IVR, bankopzegging, hypotheekopzegging of cliëntenonderzoek. Neem vrijblijvend contact op als u in zo’n lopend geschil juridisch wilt laten beoordelen of registratie, handhaving of duur nog wel verdedigbaar is.
Disclaimer: De informatie op deze website is geen op maat gesneden juridisch advies. Neem contact op indien u meer informatie wenst.
Praktische FAQ’s
Wanneer mag een verzekeraar iemand in het EVR zetten?
Dat mag alleen als in voldoende mate vaststaat dat de betrokkene betrokken is bij een incident in de zin van het PIFI, zoals opzettelijke misleiding, en die gedraging een bedreiging vormt of kan vormen voor de financiële belangen van de instelling of voor de continuïteit en integriteit van de financiële sector. Daarnaast moet het proportionaliteitsbeginsel in acht worden genomen. Een fout of vergissing is dus niet automatisch genoeg; de financiële instelling moet voldoende onderbouwen dat aan de voorwaarden voor registratie is voldaan.
Is acht jaar altijd de standaard bij een EVR-registratie?
Nee. Acht jaar is binnen het PIFI de maximale termijn, maar niet automatisch de passende termijn in ieder individueel geval. Deze uitspraak laat zien dat een rechter kan oordelen dat een registratie op zichzelf rechtmatig is, maar dat de maximale duur niet proportioneel is. In deze zaak werd de looptijd daarom teruggebracht van acht naar vier jaar.
Kun je een EVR-registratie laten verwijderen als die eerst terecht was?
Dat kan soms. Het hof heeft in deze zaak geoordeeld dat een betrokkene via artikel 21 AVG bezwaar kan maken tegen de registratie en via artikel 17 AVG om verwijdering kan vragen. Dan moet een nieuwe belangenafweging worden gemaakt op basis van de huidige omstandigheden. Daarbij rust de bewijslast dat er nog steeds zwaarder wegende gerechtvaardigde gronden voor verwerking bestaan op de financiële instelling. Dat kan leiden tot handhaving, verwijdering of verkorting van de registratieduur.
Maakt een IVR-registratie minder uit dan een EVR-registratie?
In juridische zin zijn de gevolgen van een IVR-registratie doorgaans minder groot dan die van een EVR-registratie, en de vereisten voor opname zijn ook minder streng. Toch blijft ook een IVR-registratie een verwerking van persoonsgegevens die moet voldoen aan de toepasselijke regels. In deze zaak gold de verkorting van de registratieduur daarom niet alleen voor het EVR, maar ook voor het IVR.