Uitspraak: Wat betekent ‘ex tunc toetsing’ bij opzegging bankrelatie Wwft?

“Bij bankopzeggingen onder de Wwft wordt de rechtmatigheid van de opzegging meestal beoordeeld naar het moment waarop de bank opzegde: ex tunc. Maar dat is niet het hele verhaal. De rechtbank Amsterdam laat daarnaast ruimte voor een afzonderlijke beoordeling van de vraag of de bankrelatie voor de toekomst moet worden voortgezet. Bij die vraag kunnen latere ontwikkelingen wel degelijk meetellen.”

Hoe keek de rechtbank Amsterdam naar de bankopzegging?

De Amsterdamse zaak draaide om Motivo NL B.V., een onderneming die buitenlandse werknemers detacheert en ook vervoer en huisvesting verzorgt. Rabobank had een klantonderzoek uitgevoerd en zegde de relatie op 6 maart 2024 op. Motivo stelde dat zij daardoor feitelijk niet verder kon ondernemen, omdat alternatieve bankopties volgens haar ontbraken of onvoldoende bruikbaar waren.

Rabobank wees op verschillende aandachtspunten uit het cliëntenonderzoek. Daarbij ging het onder meer om een EVR-registratie, niet tijdig gedeponeerde jaarrekeningen, een onjuist weergegeven saldo van een G-rekening, gebruik van zakelijke rekeningen voor privé-uitgaven en contante betalingen die vragen opriepen. De rechtbank nam die omstandigheden serieus, maar keek ook naar wat later nog was opgehelderd.

Juridisch is vooral van belang dat de rechtbank twee vragen uit elkaar trok. Voor de vraag of de opzegging op 6 maart 2024 rechtmatig was, toetste zij ex tunc: dus naar de situatie op het moment van opzegging. Voor de gevorderde instandhouding van de bankrelatie keek de rechtbank ex nunc: dus naar alle ontwikkelingen tot aan de mondelinge behandeling. Dat is een belangrijk onderscheid. Latere informatie maakt de oorspronkelijke opzegging niet automatisch onrechtmatig, maar kan wel van belang zijn voor de vraag of de relatie voor de toekomst moet worden voortgezet.


Waarom hielp dat Motivo uiteindelijk niet?

Hoewel de rechtbank in Amsterdam dus ruimte liet voor een toekomstgerichte beoordeling, kreeg Motivo uiteindelijk geen gelijk. Dat kwam doordat de latere verduidelijkingen volgens de rechtbank niet voldoende overtuigend waren.

De onderneming had wel enkele punten hersteld of toegelicht, maar dat gebeurde laat en onder druk van de procedure. Zo waren jaarrekeningen pas vlak voor de mondelinge behandeling gepubliceerd. Ook bleef voor de rechtbank onduidelijk waarom een volgens Motivo onterechte EVR-registratie niet al eerder was aangepakt. De uitleg dat daarvoor geen geld was, vond de rechtbank niet geloofwaardig in het licht van andere uitgaven die uit de bankadministratie bleken. Per saldo oordeelde de rechtbank dat Rabobank de klantrelatie mocht beëindigen.

Voor de hele uitspraak van de rechtbank Amsterdam klik hier.


Wat speelde er in de zaak bij de rechtbank Midden-Nederland?

De zaak in Midden-Nederland laat een striktere lijn zien. Daar ging het om een particuliere klant met een privérekening en een hypotheek bij Rabobank. In het kader van het Wwft-cliëntenonderzoek stelde Rabobank vanaf juli 2023 meerdere vragen over transacties en de financiële situatie van de klant. Volgens de bank bleven antwoorden ontoereikend, onvoldoende onderbouwd of onderling tegenstrijdig. Nadat verdere vragen onbeantwoord bleven, zegde Rabobank op 27 februari 2024 de bankrelatie op. Later werd die beslissing na bezwaar gehandhaafd.

De gevolgen voor de klant waren groot. Uiteindelijk moest zij elders een dure tijdelijke financiering sluiten en haar woning verkopen om de hypotheek af te lossen. Toch leidde dat niet tot een ander juridisch oordeel.

De rechtbank formuleerde het toetsingskader namelijk scherp. Als een bank zich beroept op artikel 5 lid 3 Wwft, moet zij aannemelijk maken dat zij na een zorgvuldig en individueel onderzoek onvoldoende informatie heeft verkregen om het cliëntenonderzoek af te ronden. Slaagt de bank daarin, dan moet de relatie worden beëindigd. Volgens de rechtbank is er dan in beginsel geen aparte ruimte meer voor een brede belangenafweging. Het relevante toetsmoment is het moment van opzegging: ex tunc.


Waarom was de uitkomst in Midden-Nederland zo streng?

De rechtbank vond dat Rabobank voldoende had laten zien dat het cliëntenonderzoek niet kon worden afgerond. Daarbij speelde mee dat antwoorden volgens de rechtbank niet steeds met de juiste stukken waren onderbouwd en dat verklaringen op onderdelen wisselden. Er waren vragen over onder meer transacties op de privérekening, zakelijke geldstromen en de samenhang tussen opgegeven inkomsten en uitgaven.

Belangrijk is dat de rechtbank expliciet oordeelde dat latere antwoorden in de gerechtelijke procedure niet meer relevant waren voor de beoordeling van de rechtmatigheid van de opzegging. Daarmee sluit deze uitspraak strak aan bij een ex-tuncbenadering. Voor cliënten is dat een lastige lijn: als de noodzakelijke duidelijkheid niet tijdig tijdens het klantonderzoek wordt gegeven, is het later vaak te laat om dat nog te repareren voor de vraag of de opzegging destijds rechtmatig was.


Voor de hele uitspraak van rechtbank Midden-Nederland klik hier.

Wat is nu de echte juridische nuance?

De echte nuance is dus niet dat de rechtspraak verdeeld zou zijn over de vraag of de opzegging zelf ex tunc moet worden beoordeeld. Op dat punt is er juist veel overeenkomst. Zowel de rechtbank Amsterdam als de rechtbank Midden-Nederland kijken voor de rechtmatigheid van de opzegging in de kern naar het moment waarop de bank opzegde.

Het verschil zit in wat daarna nog juridisch mogelijk is. De rechtbank Amsterdam laat ruimte voor een afzonderlijke beoordeling van de vraag of de bankrelatie voor de toekomst in stand moet blijven. Omdat die vraag toekomstgericht is, mogen latere ontwikkelingen daar wel worden meegewogen. De rechtbank Midden-Nederland benadert de zaak strakker en concentreert zich op de vraag of de bank op het relevante moment mocht concluderen dat het cliëntenonderzoek niet kon worden voltooid.

Dat onderscheid is praktisch belangrijk. In een strikt ex-tunckader helpen latere stukken of toelichtingen meestal niet meer om de oorspronkelijke opzegging onderuit te halen. Maar in een procedure waarin ook voortzetting van de relatie voor de toekomst wordt gevorderd, kan het nog steeds zinvol zijn om ontbrekende documentatie aan te leveren, onduidelijkheden te verklaren en eerdere administratieve tekortkomingen te herstellen.


Wat betekent dit voor cliënten die met een bankopzegging worden geconfronteerd?

Voor cliënten met een bestaand conflict met een bank is vooral van belang dat snelheid en consistentie tellen. Wie in een Wwft-traject te laat, onvolledig of tegenstrijdig antwoordt, loopt het risico dat de bank zich later met succes op het standpunt stelt dat het cliëntenonderzoek niet kon worden afgerond. Dat geldt niet alleen voor zakelijke bankrelaties, maar ook voor particuliere relaties waarin bijvoorbeeld een hypotheek betrokken is.

Tegelijk laat de Amsterdamse uitspraak zien dat een procedure niet altijd volledig “dicht” zit zodra de opzegging eenmaal is verstuurd. Als ook voortzetting van de bankrelatie wordt gevorderd, kan latere opheldering nog betekenis hebben. Juist daarom is processtrategie van belang.

Het maakt uit welke vorderingen worden ingesteld en hoe de zaak juridisch wordt ingestoken.


Afsluiting

Financieel Recht Advocaten is ervaren in het behandelen van geschillen met banken en financiële instellingen, wanneer een conflict bestaat over een bankopzegging, EVR- of IVR-registratie, cliëntenonderzoek of hypotheekopeising. Neem Vrijblijvend contact op om de mogelijkheden binnen uw dossier te bespreken.

Disclaimer: deze tekst is algemene informatie en geen individueel juridisch advies; de beoordeling blijft altijd afhankelijk van de concrete feiten, stukken en proceshouding.


Praktische FAQ’s

Kan een bank mijn rekening opzeggen als ik wel antwoord geef, maar niet alle stukken meestuur?

Ja. Beide uitspraken laten zien dat antwoorden alleen niet genoeg zijn als de bank die antwoorden niet kan verifiëren of als nieuwe antwoorden juist nieuwe vragen oproepen.

Maken latere stukken een eerdere bankopzegging automatisch onrechtmatig?

Nee. De oorspronkelijke opzegging wordt in beginsel ex tunc beoordeeld. Latere stukken kunnen wel relevant zijn voor een vordering tot voortzetting van de bankrelatie voor de toekomst.

Is een EVR-registratie altijd doorslaggevend voor opzegging?

Niet automatisch, maar het is wel een zwaar signaal. Zeker als onduidelijk blijft waarom die registratie niet is bestreden of verwijderd, kan dat zwaar meewegen.

Kan de bank ook mijn hypotheek opeisen?

Ja. Dat kan onderdeel zijn van de beëindiging van de bankrelatie, zoals ook in de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland aan de orde was.


Bronvermelding

  1. Rechtbank Amsterdam 22 oktober 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:8476.
  2. Rechtbank Midden-Nederland 11 maart 2026, ECLI:NL:RBMNE:2026:1107.

Jamiro van de Wiel

Wij staan voor u klaar

  • Tegen financiële dienstverleners
  • 20+ jaar ervaring
  • Eerlijk en transparant
Neem contact op

Wij helpen u graag

  • Tegen financiële dienstverleners
  • 20+ jaar ervaring
  • Eerlijk en transparant