Uitspraak: EVR-registratie bij fraude: twee uitspraken, twee uitkomsten

“Een registratie in het EVR of Incidentenregister is alleen toegestaan als er concrete en objectieve feiten zijn die een zwaardere verdenking opleveren dan een redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit. In twee arresten van het Gerechtshof Amsterdam (17 februari 2026) wordt duidelijk hoe streng deze toets is: bij zwak en indirect bewijs moet de registratie verdwijnen, maar bij duidelijke betrokkenheid bij fraude mag registratie blijven bestaan.”

Inleiding

Registratie in het Extern Verwijzingsregister (EVR) of het Incidentenregister kan grote gevolgen hebben voor ondernemers en particulieren. Banken, verzekeraars en andere financiële instellingen kunnen daardoor zien dat iemand betrokken zou zijn bij fraude of integriteitsincidenten. In de praktijk leidt dat vaak tot beëindiging van bankrelaties, problemen bij het afsluiten van hypotheken of het weigeren van financiële diensten.

Twee recente arresten van het Gerechtshof Amsterdam van 17 februari 2026 laten goed zien hoe streng de rechter toetst of zo’n registratie is toegestaan. In de eerste zaak (ECLI:NL:GHAMS:2026:459) moest een EVR-registratie wegens vermeende zorgfraude worden verwijderd omdat het bewijs te zwak was. In de tweede zaak (ECLI:NL:GHAMS:2026:467) bleef een registratie wegens hypotheekfraude juist in stand omdat de betrokkenheid van de betrokkenen voldoende uit objectieve feiten bleek.

Hoewel de juridische maatstaf in beide zaken hetzelfde is, leidt de beoordeling van de feiten tot een totaal andere uitkomst. Juist die vergelijking is belangrijk voor mensen die te maken krijgen met een EVR-registratie of een fraudeverdenking van een bank of financiële instelling.


Wanneer mag een EVR-registratie eigenlijk plaatsvinden?

Registratie in het EVR of het Incidentenregister betekent dat strafrechtelijke persoonsgegevens worden verwerkt. Dat mag alleen onder strikte voorwaarden. De verwerking moet voldoen aan de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG), de Uitvoeringswet AVG (UAVG) en het Protocol Incidentenwaarschuwingssysteem Financiële Instellingen (PIFI).

Uit vaste rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat de feiten en omstandigheden die aan een registratie in het EVR ten grondslag liggen “in voldoende mate moeten vaststaan”. Met andere woorden: er moet sprake zijn van een zwaardere verdenking dan een redelijk vermoeden van schuld. De feiten moeten in principe een bewezenverklaring van een strafbaar feit kunnen dragen.

Daarnaast moet de registratie voldoen aan twee belangrijke beginselen:

  1. Proportionaliteit;
  2. Subsidiariteit.

De gevolgen van de registratie mogen niet onevenredig zwaar zijn in verhouding tot het doel van fraudebestrijding (proportionaliteit) en de registratie mag alleen worden gebruikt als minder ingrijpende maatregelen voldoende zijn (subsidiariteit).


Wanneer EVR-registratie niet mag: de zorgfraudezaak

In de uitspraak van 17 februari 2026 (ECLI:NL:GHAMS:2026:459) stond een zorgaanbieder centraal die pgb-zorg leverde onder de Wlz en Wmo. Zilveren Kruis, dat als zorgkantoor fungeerde, had onderzoek gedaan naar mogelijke fraude met zorgdeclaraties over 2019 en 2020.

Volgens het zorgkantoor was meer zorg gedeclareerd dan daadwerkelijk was geleverd. Op basis van die verdenking werden de zorgaanbieder en haar bestuurder voor acht jaar opgenomen in het Incidentenregister en het EVR. Ook werden budgetten van meerdere budgethouders ingetrokken.

Het hof oordeelde echter dat de verdenking onvoldoende concreet was onderbouwd.

Het onderzoek van Zilveren Kruis was grotendeels gebaseerd op telefonische verklaringen van budgethouders. Die verklaringen waren volgens het hof kwetsbaar bewijs. Het ging om kwetsbare personen en de verklaringen waren bovendien op meerdere punten inconsistent. Volgens het hof konden dergelijke verklaringen hooguit aanleiding geven tot nader onderzoek, maar niet tot de conclusie dat fraude daadwerkelijk had plaatsgevonden.

Ook had het zorgkantoor onvoldoende aanvullend onderzoek verricht. Zo waren bijvoorbeeld geen wettelijke vertegenwoordigers of zorgverleners gehoord. Daarnaast was er geen strafrechtelijke aangifte gedaan en was er geen civiele procedure gestart om schade te verhalen.

Andere omstandigheden, zoals administratieve onvolkomenheden of standaardzorgbeschrijvingen, vormden volgens het hof eveneens geen overtuigend bewijs van fraude.

Een belangrijk element in de beoordeling was bovendien dat de Sociale Verzekeringsbank (SVB) de zorgovereenkomsten en declaraties steeds had goedgekeurd en betaald. Dat maakte het volgens het hof nog minder aannemelijk dat er duidelijke fraude was vastgesteld.

Daarom concludeerde het hof dat niet was voldaan aan de vereiste zware verdenking. De registraties in het EVR moesten worden verwijderd.

Het hof ging zelfs nog een stap verder. Ook het Incidentenregister mocht niet in stand blijven. Volgens het hof heeft dat register geen zelfstandige grondslag als de vereisten voor EVR-registratie ontbreken. Wanneer de gegevens niet langer relevant zijn voor het waarschuwingssysteem, moeten zij op grond van de AVG worden verwijderd.


Wanneer EVR-registratie wel mag: de hypotheekfraudezaak

In de tweede uitspraak van dezelfde datum (ECLI:NL:GHAMS:2026:467) kwam het hof tot precies het tegenovergestelde oordeel.

In deze zaak hadden betrokkenen een hypotheek aangevraagd via een tussenpersoon. In de hypotheekaanvraag waren inkomensgegevens opgenomen die achteraf vervalst bleken. Op basis van die gegevens werd een hypotheek van ongeveer €870.000 verstrekt.

Toen de bank later onderzoek deed naar mogelijke fraude, bleek dat het werkelijke inkomen van de betrokkenen veel lager was dan het inkomen dat in de hypotheekofferte stond vermeld. De bank registreerde hen vervolgens in het Incidentenregister, het EVR en bij de Stichting Fraudebestrijding Hypotheken.

Het hof stelde vast dat de hypotheekaanvraag gebaseerd was op vervalste gegevens. De belangrijkste vraag was daarom of de betrokkenen zelf wisten of hadden moeten weten dat die gegevens onjuist waren.

Volgens het hof was dat het geval.

Het inkomensbedrag dat in de hypotheekofferte stond, was aanzienlijk hoger dan het werkelijke inkomen. Dat verschil was volgens het hof zo groot dat het voor de betrokkenen direct duidelijk moest zijn geweest dat het bedrag niet klopte.

Toch hadden zij de hypotheekofferte twee keer ondertekend. Daarbij hadden zij expliciet verklaard dat de verstrekte gegevens correct waren en dat er geen relevante informatie was achtergehouden.

Bovendien hadden zij vervolgens geprofiteerd van de hypotheek door met het geld een woning te kopen.

Ook speelde mee dat zij tijdens het onderzoek niet volledig hadden meegewerkt. Zo werden de originele e-mails met de tussenpersoon niet overgelegd. In plaats daarvan leverden zij alleen pdf-bestanden aan die moeilijk controleerbaar waren.

Het verweer dat zij hun adviseur volledig hadden vertrouwd en de documenten niet goed hadden gelezen, werd door het hof verworpen. Juist bij een grote financiële transactie zoals een hypotheekaanvraag rust op de aanvragers een eigen verantwoordelijkheid om de inhoud van documenten te controleren.

Daarom vond het hof dat sprake was van voldoende concrete en objectieve feiten om betrokkenheid bij fraude aan te nemen.

Ook de proportionaliteitstoets viel in het voordeel van de bank uit. Hypotheekfraude vormt volgens het hof een ernstige bedreiging voor de integriteit van de financiële sector. Omdat de betrokkenen onvoldoende hadden onderbouwd dat de registratie buitensporige gevolgen had, mocht de registratie blijven bestaan.


Waarom de uitkomst in beide zaken zo verschillend is

Op het eerste gezicht lijken beide zaken sterk op elkaar. In beide procedures ging het om een EVR-registratie wegens vermeende fraude. Ook de juridische maatstaf was identiek.

Toch kwam het hof tot een totaal andere uitkomst. Dat verschil ligt volledig in de bewijspositie.

In de zorgfraudezaak was het bewijs indirect, onzeker en onvoldoende onderzocht. De verdenking rustte vooral op verklaringen van derden die niet consistent waren en niet door objectief bewijs werden ondersteund.

In de hypotheekfraudezaak waren er juist concrete feiten die rechtstreeks naar de betrokkenen wezen. Zij hadden zelf documenten ondertekend waarin een duidelijk onjuist inkomensbedrag stond. Dat maakte hun betrokkenheid bij de fraude veel aannemelijker.

Ook hun gedrag na het ontstaan van de verdenking speelde een rol. Het gebrek aan transparante medewerking aan het onderzoek versterkte de verdenking.

Kort gezegd laat de vergelijking zien dat een EVR-registratie niet mag rusten op vermoedens, signalen of administratieve vragen alleen. Maar een strafrechtelijke veroordeling is ook niet nodig. Doorslaggevend is of de beschikbare feiten al sterk genoeg zijn om een strafbaar feit aannemelijk te maken.


Wat betekent dit voor mensen met een EVR-registratie?

Deze twee uitspraken laten duidelijk zien dat EVR-registraties regelmatig juridisch aanvechtbaar zijn. Vooral wanneer de verdenking is gebaseerd op indirecte signalen, administratieve onregelmatigheden of onvoldoende onderzocht bewijs, kan een rechter oordelen dat de registratie moet worden verwijderd.

Tegelijkertijd blijkt uit de hypotheekfraudezaak dat registraties wel degelijk stand kunnen houden wanneer de feiten duidelijk wijzen op betrokkenheid bij fraude.

Voor ondernemers en particulieren die worden geconfronteerd met een EVR-registratie is het daarom belangrijk om goed te kijken naar:

  1. De feitelijke onderbouwing van de verdenking;
  2. Het onderzoek dat de financiële instelling heeft verricht;
  3. De proportionaliteit van de registratie;
  4. De vraag of minder ingrijpende maatregelen mogelijk waren.

In procedures over EVR-registraties staat vaak de kwaliteit van het bewijs centraal.


Lees de volledige uitspraken hier:
  1. Zorgfraude zaak
  2. Hypotheekfraude zaak

Afsluiting

Problemen door een EVR-registratie of een conflict met een bank of verzekeraar? Financieel Recht Advocaten heeft ruime ervaring met dit soort zaken en helpt u graag bij het beoordelen van uw juridische positie. Neem vandaag nog vrijblijvend contact met ons op voor een eerste beoordeling.


Praktische FAQ’s

Wanneer mag een bank iemand in het EVR registreren?

Dat mag alleen wanneer er concrete feiten en omstandigheden zijn die een zware verdenking van een strafbaar feit opleveren. De feiten moeten zo sterk zijn dat zij in principe een strafrechtelijke bewezenverklaring zouden kunnen dragen.

Is een strafrechtelijke veroordeling nodig voor EVR-registratie?

Nee. Een veroordeling is niet vereist. Wel moet de verdenking aanzienlijk sterker zijn dan een redelijk vermoeden van schuld.

Kan een EVR-registratie worden verwijderd?

Ja. Als blijkt dat de feiten onvoldoende vaststaan of de registratie disproportioneel is, kan een rechter bepalen dat de registratie moet worden verwijderd.

Mag een instelling gegevens in het Incidentenregister laten staan als EVR-registratie niet mag?

Volgens het arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 17 februari 2026 (ECLI:NL:GHAMS:2026:459) kan dat niet zonder meer. Wanneer de grondslag voor de fraude-registratie ontbreekt, moeten de gegevens in beginsel worden verwijderd.


Bronnen en verwijzingen

  1. Gerechtshof Amsterdam 17 februari 2026, ECLI:NL:GHAMS:2026:459.
  2. Gerechtshof Amsterdam 17 februari 2026, ECLI:NL:GHAMS:2026:467.

Disclaimer: Dit artikel bevat algemene informatie en is geen individueel juridisch advies. De beoordeling van een EVR-registratie hangt altijd af van de specifieke feiten en omstandigheden van het geval.


Rob Silvertand

Wij staan voor u klaar

  • Tegen financiële dienstverleners
  • 20+ jaar ervaring
  • Eerlijk en transparant
Neem contact op

Wij helpen u graag

  • Tegen financiële dienstverleners
  • 20+ jaar ervaring
  • Eerlijk en transparant