“De Nederlandsche Bank (DNB) benadrukt dat banken bij klanten met een laag witwasrisico Wwft-maatregelen proportioneel moeten toepassen. Dat betekent dat aanvullende vragen niet verboden zijn, maar dat banken wel moeten kunnen uitleggen waarom extra uitvragen in een concreet geval noodzakelijk zijn.”
Waarom proportionaliteit onder de Wwft opnieuw in de aandacht staat
Op 17 december 2025 publiceerde De Nederlandsche Bank (DNB) het nieuwsbericht toezicht “Proportionaliteit in Perspectief, meer maatwerk mogelijk bij proportionele toepassing Wwft”. DNB beschrijft daarin een verkennend onderzoek bij vijf Nederlandse banken (uitgevoerd in 2025) naar de manier waarop zij de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren terrorisme toepassen bij klanten met een laag risico op witwassen of terrorismefinanciering.
De aanleiding is herkenbaar: de afgelopen jaren kwamen er signalen over neveneffecten van Wwft-naleving, zoals onnodige klantbelasting, belemmeringen bij toegang tot betalingsverkeer, operationele druk en zelfs (indirecte) discriminatie. DNB ziet dat banken het belang van proportionaliteit onderschrijven, maar in de uitvoering belemmeringen ervaren, waardoor maatregelen zwaarder kunnen uitpakken dan strikt nodig is.
In dit artikel worden de bevindingen van deze verkenning van de DNB beschreven en wordt er gekeken naar de gevolgen van deze bevindingen voor de proportionele toepassing van de Wwft in de toekomst.
Wat zegt DNB precies en waarom dit relevant is bij Wwft-conflicten
DNB heeft gekeken hoe banken Wwft-maatregelen afstemmen op laagrisicoklanten. De verkenning focust op vier klantgroepen:
De rode draad van de verkenning is dat banken vaak wel proportioneel willen werken, maar dat interne en externe prikkels zoals risicoaversie, controledruk en “afvink-processen” in de praktijk sturen richting zwaardere maatregelen. DNB ziet ruimte voor meer maatwerk, betere samenwerking in de bankenketen en meer vertrouwen in professioneel oordeel, waaronder het verantwoord accepteren van restrisico’s.
Een belangrijke kanttekening hierbij is dat DNB niet zegt dat banken “minder streng moeten zijn” of dat klanten hier nieuwe rechten aan kunnen ontlenen. Het is wel een duidelijke toezichtsboodschap. Risicogebaseerd werken betekent ook: minder zwaar waar het risico laag is, zodat capaciteit kan worden ingezet waar de risico’s daadwerkelijk hoger zijn.
Tussen naleving en maatwerk: het juridische spanningsveld van de Wwft
Veel discussies met banken lopen vast op één spanningsveld. De bank móet cliëntenonderzoek doen en transacties monitoren. Dit volgt uit haar poortwachtersrol op grond van artikel 3 Wwft. Tegelijk moet de bank dit onderzoek risicogebaseerd en proportioneel inrichten en mag zij haar klanten niet onnodig belasten.
De Wwft kent als uitgangspunt dat instellingen hun aanpak afstemmen op risico’s. Proportionaliteit is daarbij geen bijkomstigheid, maar volgt uit de kern van de risicogebaseerde benadering: hoe lager het risico, hoe eenvoudiger de maatregelen in beginsel kunnen zijn. DNB koppelt dit in het bericht van 17 december 2025 nadrukkelijk aan laagrisicosituaties.
Een cruciale bepaling in de praktijk is artikel 5 lid 3 Wwft. Als een instelling met betrekking tot een zakelijke relatie niet kan voldoen aan de cliëntonderzoeksverplichtingen uit artikel 3 Wwft, moet zij die relatie beëindigen.
Dat verklaart waarom “niet meewerken” of “net niet genoeg meewerken” zo’n groot risico vormt. Ook als geen sprake is van strafbaar handelen, kan de bank toch verplicht zijn de relatie te beëindigen wanneer het cliëntenonderzoek niet kan worden afgerond.
Naast de Wwft speelt vrijwel altijd het contractuele kader (bijvoorbeeld de Algemene Bankvoorwaarden) en het civiele toetsingskader van redelijkheid en billijkheid. In de rechtspraak is te zien dat opzegging in sommige gevallen mogelijk of zelfs vereist is, maar dat banken daarbij wel zorgvuldig moeten handelen en belangen moeten afwegen. Zie bijvoorbeeld Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 10 juni 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:3542.
Waarom een proportionele toepassing van de Wwft volgens de DNB is ontspoort
DNB noemt vier drukpunten die maken dat laagrisicoklanten toch met zware uitvragen worden geconfronteerd.
Allereerst speelt risicoaversie en procedurele zekerheid een rol. Hoewel de Wwft risicogebaseerd is, verschuift de praktijk soms naar een “procedure first”-benadering. Analisten ervaren niet altijd ruimte voor professioneel oordeel en kiezen er dan voor extra vragen te stellen of risico’s hoger in te schatten “voor de zekerheid”. Dat kan leiden tot disproportionele klantbelasting.
Daarnaast signaleert DNB dat hogere risicoclassificaties vaak als een veilige keuze voelen. Interne controle- en toezichtlijnen letten eerder op een risico dat “ten onrechte laag” is ingeschat dan op een risico dat “ten onrechte hoog” is geclassificeerd. Dit kan ertoe leiden dat risicoscores structureel worden opgedreven.
Verder ziet DNB dat sommige risico-indicatoren worden behandeld als automatische triggers voor aanvullende maatregelen, los van het totale klantbeeld. Eén indicator kan dan leiden tot standaard vervolguitvragen, ook wanneer het geheel wijst op een laag risico.
Tot slot benadrukt DNB het belang van kennis van sector, rechtsvorm en context. Zeker bij specifieke klantgroepen, zoals religieuze instellingen en stichtingen, kan gebrek aan domeinkennis of werken “op afstand” leiden tot te zware aannames en meer uitvragen dan nodig is.
Situatie
Wat gebeurt er in de praktijk?
Observatie van DNB
Laag risicoprofiel
Toch uitgebreide en herhaalde informatieverzoeken
Maatregelen kunnen zwaarder uitvallen dan nodig is in verhouding tot het witwasrisico
Risicoaversie en procedurele zekerheid
Analisten kiezen sneller voor extra vragen of een hogere risicoclassificatie “voor de zekerheid”
Professioneel oordeel krijgt niet altijd voldoende ruimte, waardoor klantbelasting kan toenemen
Terugkoppeling vanuit controle- en toezichtlijnen
Focus ligt vaker op “ten onrechte laag” dan op “ten onrechte hoog” geclassificeerd risico
Dit kan een opdrijvend effect hebben op risicoclassificaties
Risico-indicatoren als automatische trigger
Eén indicator leidt automatisch tot aanvullende maatregelen, los van het totale klantbeeld
Indicatoren moeten in samenhang met context en klantprofiel worden beoordeeld, niet op zichzelf
Beperkte kennis/context van klantgroepen
Beoordeling gebeurt (te) generiek of op afstand, met minder begrip van sector en activiteiten
Vakmanschap en contextkennis zijn cruciaal voor een proportionele risico-inschatting
Contant geld bij klein MKB/retail
Contante geldstromen leiden sneller tot intensieve uitvragen, ook zonder andere signalen
Contant geld is een risicofactor, maar moet worden gewogen in sectorcontext en transactieprofiel
De vier klantgroepen: waar ziet DNB concreet ruimte voor maatwerk?
DNB bespreekt in haar verkenning vier klantgroepen: goede doelen en religieuze organisaties, VvE’s, klein MKB/retail en PEP’s. In al deze groepen ziet DNB ruimte voor een meer proportionele toepassing van de Wwft.
Met name bij klein MKB en retail wordt zichtbaar hoe automatische risico-indicatoren kunnen leiden tot disproportionele maatregelen. Banken classificeren deze klanten vaak als laag risico en maken steeds meer gebruik van bestaande informatie en minder frequente reviews.
DNB waarschuwt echter voor reflexmatig handelen. Contante geldstromen, bijvoorbeeld in de horeca, zijn een risicofactor, maar passen vaak bij het normale transactieprofiel. Intensieve aanvullende vragen zonder andere signalen kunnen disproportioneel zijn en zelfs de relatie schaden. Juist in deze situaties ontstaat discussie over de vraag of aanvullende informatie nog noodzakelijk is voor het cliëntenonderzoek, of vooral voortvloeit uit interne procedures.
Afsluiting
De verkenning van DNB bevestigt dat proportionaliteit een wezenlijk onderdeel is van de Wwft. Bij klanten met een laag witwasrisico moeten banken kunnen uitleggen waarom aanvullende uitvragen nodig zijn en mogen standaardprocedures niet automatisch leiden tot zwaardere maatregelen.
Tegelijk blijft gelden dat een bank het cliëntenonderzoek moet kunnen afronden. Heeft u te maken met een concreet geschil over een betaling, transactie of naleving van anti-witwasregels, dan kan het zinvol zijn om tijdig juridisch inzicht te krijgen in uw positie. Financieel Recht Advocaten ondersteunt ondernemers en particulieren bij conflicten met banken en financiële instellingen over onder meer IVR/EVR-registraties, transactiemonitoring en witwasregelgeving.
Mag een bank bij laag risico toch aanvullende vragen stellen?
Ja. Ook bij een laag risicoprofiel mag een bank aanvullende vragen stellen. De kern is dat de bank moet kunnen motiveren waarom die vragen in het concrete geval noodzakelijk zijn.
Betekent de DNB-verkenning dat banken minder streng moeten zijn?
Nee. DNB benadrukt niet dat banken minder streng moeten zijn, maar dat zij risicogebaseerd moeten werken. Dat betekent ook: minder zware maatregelen waar het risico aantoonbaar laag is.
Kan een bank mijn rekening beëindigen als ik niet voldoende informatie aanlever?
Ja. Op grond van artikel 5 lid 3 Wwft moet een bank de relatie beëindigen als zij het cliëntenonderzoek niet kan afronden.
Is proportionaliteit een juridisch afdwingbaar recht?
Proportionaliteit volgt uit de risicogebaseerde benadering van de Wwft, maar vormt geen zelfstandig recht op “minder vragen”. Het is wel een relevant toetsingscriterium bij de beoordeling van het handelen van een bank.
Disclaimer: Dit artikel bevat algemene informatie en is geen individueel advies.