Uitspraak: Onschuldpresumptie en Wwft-opzegging van de bankrelatie

“Ook als een bank zich beroept op de Wwft (art. 5 lid 3 Wwft), kan zij vragen stellen over negatieve media en strafrechtelijke context, zonder dat dit automatisch strijdig is met de onschuldpresumptie van art. 6 lid 2 EVRM. Het hof benadrukt dat een bank geen opsporingsinstantie is, maar risico’s moet beoordelen; wel kan EVRM indirect meewegen via zorgvuldigheid en redelijkheid (art. 6:248 lid 2 BW).”

Wat speelde er in deze zaak?

In Hof Arnhem-Leeuwarden 10 juni 2025 (ECLI:NL:GHARL:2025:3542) gaat het formeel om de vraag of SNS Bank (De Volksbank N.V.) de bankrelatie met Suntel Telecom B.V. mocht beëindigen omdat het cliëntenonderzoek niet kon worden afgerond. Maar het meest prikkelende deel zit in r.o. 3.13 en verder: Suntel zet zwaar in op grondrechten. Zij stelt dat de bank, doordat de Wwft banken dwingt tot poortwachtersgedrag, feitelijk als “delegee/mandataris van de staat” optreedt. En dat de bank met vragen over een krantenpublicatie in strijd handelt met onder meer de onschuldpresumptie (art. 6 lid 2 EVRM) en andere EVRM-rechten. Het hof veegt dat niet weg met één zin, maar maakt scherp onderscheid tussen (1) strafrechtelijke schuldvragen en (2) privaatrechtelijke risicobeheersing onder de Wwft.


De feiten in een notendop: waarom kwam het EVRM überhaupt op tafel?

Suntel is groothandel/online-retailer van prepaidkaarten en had sinds 2011 een zakelijke rekeningrelatie met SNS. De bank vond de telecombranche een hoge witwasrisico-sector en deed daarom intensief (verscherpt) cliëntenonderzoek. In april 2021 stelde SNS 24 vragen. Eén daarvan (vraag 22) vroeg om een “uitgebreide toelichting” op een Algemeen Dagblad-publicatie waarin de bestuurder van Suntel werd genoemd in een verhaal over pogingen om crimineel geld via beltegoedinkopen wit te wassen, met vervolging en uiteindelijk vrijspraak.

Suntel antwoordde in de kern: wij zijn geen redacteur van het AD; bovendien is er vrijspraak; en waarom moeten wij verklaren over een “sensatiebericht”? De bank handhaafde later de opzegging, mede omdat zij vond dat vragen niet (voldoende) waren beantwoord en documenten ontbraken. Suntel startte een procedure om voortzetting/herstel af te dwingen. De rechtbank wees af; in hoger beroep bekrachtigt het hof.

Het “EVRM-blok” komt op als Suntel betoogt dat het vragen naar dat artikel terwijl er vrijspraak is in strijd komt met art. 6 lid 2 EVRM (onschuldpresumptie). Dit argument werd door Suntel gebaseerd op het standpunt dat banken bij de uitvoering van de Wwft als “delegee of mandataris van de staat” handelen.


De stelling: “de bank is een verlengstuk van de staat”

In r.o. 3.13 stelt Suntel het volgende. Omdat de Wwft banken inschakelt bij “voorkoming/opsporing” van strafbare feiten, voert de bank in feite overheidstaken uit. Daardoor moet de bank zich gedragen alsof zij een overheidsorgaan is. Stuntel noemt SNS een “delegee of mandaris van de staat”. Als je de bank op die manier ziet, zouden EVRM-normen rechtstreeks gelden in de verhouding bank-klant. En dan is vragen naar negatieve media en een vervolgingscontext, ondanks vrijspraak, volgens Suntel strijdig met artikel 6 lid 2 EVRM (onschuldspresumptie).

Deze redenering is zo interessant, omdat dit precies de gevoelslijn is die je in Wwft-dossiers vaak ziet: “de bank behandelt mij als verdachte” of “de bank straft mij voor iets waarvoor ik ben vrijgesproken”. Suntel probeert deze gevoelens om te zetten in een normschending door de bank op grond van directe EVRM-toepassing.


Het hof over “de bank als verlengstuk van de staat”

Op de stelling van Suntel dat de bank als “verlengstuk van de staat” handelt bij de uitvoering van de verplichtingen die uit de Wwft voortvloeien, reageer het hof duidelijk in r.o. 3.14.

Zij vangt aan door te herhalen dat de bank geen opsporingsbevoegdheid heeft en voor haar informatie vooral afhankelijk is van Suntel zelf. Volgens het hof is de taak van de bank niet het opsporen van strafbare feiten, maar om (onder meer) witwassen te voorkomen. De positie van SNS kan ondanks de aan de banken in de Wwft opgedragen taken naar het oordeel van het hof niet gelijkgesteld worden aan die van een overheidsorgaan, zoals het Openbaar Ministerie (OM). De bepalingen van het EVRM zijn dan ook niet rechtstreeks van toepassing in de verhouding tussen SNS en Suntel.

Wel erkent het hof dat grondrechten indirect (horizontaal) kunnen doorwerken in privaatrechtelijke verhoudingen. Dat wil zeggen: ook al bindt het EVRM vooral de staat, EVRM-waarden kunnen via open normen zoals zorgvuldigheid (ABV) en redelijkheid en billijkheid (artikel 6:248 BW) toch meewegen.

Praktisch betekent dit dat het EVRM niet per se kansloos in bankzaken, maar dat de route voor de toepassing van dit verdrag anders is. De bank kan volgens het hof artikel 6 EVRM niet rechtstreeks schenden, maar zij kan wel onzorgvuldig of onevenredig handelen en bij die beoordeling kunnen grondrechten zoals de onschuldpresumptie meewegen.


De verhouding tussen de onschuldpresumptie en Wwft-risico

Suntel wijst erop dat haar bestuurder is vrijgesproken van het tenlastegelegde feit uit het AD. Daarom stelt zij dat iedereen, inclusief de bank, uit moet gaan van onschuld. In r.o. 3.15 verschuift het hof dit perspectief en zet zij uiteen waarom de stelling volgens haar onjuist is.

Het hof benadrukt dat het voorkomen dat criminelen geldt witwassen/ terrorisme financieren het kerndoel is van de Wwft. De branche waarin Suntel werkt valt wat betreft witwassen in een hoge risicocategorie. Als er een publicatie is waaruit volgt dat de bestuurder is vervolg voor witwassen én dat ene klant van Suntel een account misbruikte in een witwasconstructie, dan is het volgen het hof terecht dat de bank daar meer over wil weten. De bank vraagt hier niet of de klant schuldig is, maar of de klant context kan geven zodat de bank risico’s kan beoordelen.

Dat is een belangrijk onderscheid. Een vrijspraak betekent: geen bewezenverklaring in strafrechtelijke zin. Maar dat zegt niet automatisch dat een bank geen integriteits- of witwasrisico’s meer mag (of moet) onderzoeken. Wwft-onderzoek is geen strafproces. Het gaat om “ken uw klant”, transactierisico, herkomst van middelen en voortdurende controle (art. 3 lid 2 onder d Wwft).

Het hof noemt de vraag van SNS bovendien “neutraal” en zonder verborgen beschuldiging. Dat is relevant voor de indirecte EVRM-weging: als de bank in haar formulering en proces zorgvuldig blijft, is het moeilijker om te zeggen dat zij iemand als “schuldige” neerzet.


De rol van de redelijkheid en billijkheid bij een verplichte Wwft-opzegging

Hoewel artikel 5 lid 3 Wwft bepaalt dat een bank de bankrelatie moet beëindigen als het cliëntenonderzoek niet kan worden voltooid, betekent dit volgens het hof niet dat iedere toets aan redelijkheid en billijkheid per definitie is uitgesloten. In r.o. 3.8 benadrukt het hof dat de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid (art. 6:248 lid 2 BW) ook bij een opzegging op grond van de Wwft denkbaar blijft. Anders dan in sommige eerdere uitspraken wordt de belangenafweging dus niet “bij voorbaat” of “voorshands” buiten spel gezet.

Daarmee nuanceert het hof het idee dat een Wwft-verplichting automatisch elke civielrechtelijke correctie uitsluit. Wel maakt het hof duidelijk dat toepassing van art. 6:248 lid 2 BW terughoudend moet zijn en dat een wettelijke beëindigingsplicht groot gewicht in de schaal legt. Met andere woorden: de toets blijft bestaan, maar de uitkomst zal in veel gevallen in het voordeel van de bank uitvallen zodra vaststaat dat het cliëntenonderzoek daadwerkelijk is vastgelopen.

In deze zaak leidde die belangenafweging niet tot bescherming van Suntel. Het hof acht doorslaggevend dat SNS op grond van de Wwft verplicht was de relatie te beëindigen en dat niet aannemelijk is geworden dat de gevolgen voor Suntel zó disproportioneel waren dat opzegging naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar moest worden geacht (r.o. 3.22). De ruimte die art. 6:248 lid 2 BW biedt, fungeert hier dus vooral als juridische veiligheidsklep, niet als structurele beperking van artikel 5 lid 3 Wwft.


Einduitkomst in het kort: waarom SNS mocht opzeggen en waarom het EVRM Suntel niet redde

Het hof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank: SNS mocht (en moest) de bankrelatie beëindigen omdat zij het cliëntenonderzoek niet kon voltooien. De kern is dat Suntel volgens het hof niet (inhoudelijk) antwoordde op cruciale vragen (vooral over de AD-publicatie). Daarnaast oordeelde het hof dat Suntel niet juist op vragen antwoordde en naliet juist aan te leveren. Daardoor kon de bank de vereiste voortdurende controle niet uitvoeren (art. 3 lid 2 onder d Wwft) en kwam artikel 5 lid 3 Wwft in beeld: beëindiging is dan verplicht. Het beroep op art. 6 EVRM strandt omdat de bank geen opsporingsinstantie is en het EVRM niet rechtstreeks geldt in de bank-klantrelatie; wel kunnen grondrechten indirect meewegen via zorgvuldigheid en art. 6:248 lid 2 BW, maar dat leidde hier niet tot een andere uitkomst


Lees de volledige uitspraak hier


Financieel recht advocaten

Ondervindt u als ondernemer ook problemen met de bank, dan is het raadzaam om hier gemotiveerd bezwaar tegen te maken. Daarbij is het verstandig om professioneel juridisch advies in te winnen over uw zaak. Wij van Financieel Recht Advocaten helpen u graag verder. Neem vrijblijvend contact met ons op om uw zaak verder toe te lichten.


Disclaimer

Disclaimer: Deze blog is bedoeld als algemene informatie. Het is geen individueel juridisch advies. Hoe uw zaak uitpakt hangt af van de concrete omstandigheden van het geval.


Bronnen

  1. Hof Arnhem-Leeuwarden 10 juni 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:3542, NTHR 2025/46, p. 221, RF 2026/3.

Praktische FAQ’s

Is een bank verplicht de relatie te beëindigen als cliëntenonderzoek niet kan worden afgerond?

Ja, als het cliëntenonderzoek niet kan worden voltooid, moet de bank de zakelijke relatie beëindigen op grond van art. 5 lid 3 Wwft.

Mag een bank vragen stellen over negatieve media of een strafrechtelijke context bij een klant?

Ja, een bank mag in het kader van de Wwft vragen stellen om risico’s op witwassen of financiering van terrorisme te kunnen beoordelen, ook als er sprake is van vrijspraak.

Geldt art. 6 EVRM rechtstreeks in de verhouding tussen bank en klant?

Volgens het hof zijn EVRM-bepalingen niet rechtstreeks van toepassing in de bank-klantrelatie, maar kunnen grondrechten wel indirect meewegen via open normen zoals zorgvuldigheid en redelijkheid en billijkheid (art. 6:248 BW).

Is een bank een opsporingsinstantie onder de Wwft?

Nee, het hof benadrukt dat een bank geen opsporingsbevoegdheid heeft en niet gelijkgesteld kan worden aan een overheidsorgaan zoals het OM; de taak is risicobeoordeling en preventie.


Jamiro van de Wiel

Wij staan voor u klaar

  • Tegen financiële dienstverleners
  • 20+ jaar ervaring
  • Eerlijk en transparant
Neem contact op

Wij helpen u graag

  • Tegen financiële dienstverleners
  • 20+ jaar ervaring
  • Eerlijk en transparant