“De kern van een EVR-registratie is in 2026 niet fundamenteel veranderd. Nog steeds draait het om drie vragen: is er een relevante bedreiging voor de financiële sector of de instelling, staat uw betrokkenheid voldoende vast en is registratie proportioneel? De echte verschuiving zit vooral in de praktijk: een bredere groep financiële partijen kan deelnemen, het incidentbegrip is moderner en het protocol legt meer nadruk op documentatie, bewijs en waarborgen voor betrokkenen. Voor mensen met een conflict met een bank of andere financiële instelling is dat belangrijk, omdat niet alleen de inhoud van de verdenking telt, maar ook de manier waarop de registratie tot stand is gekomen. De kerncriteria in art. 5.2.1 PIFI 2026 zijn namelijk vrijwel gelijk gebleven aan die van 2021.”
Inleiding
Per januari 2026 geldt PIFI 2026, het vernieuwde Protocol Incidentenwaarschuwingssysteem Financiële Instellingen. Voor cliënten is vooral de vraag relevant of dit protocol de positie van banken en andere financiële instellingen wezenlijk heeft versterkt bij EVR-registraties. Het korte antwoord is: niet in de kern, maar wel in de uitwerking. Voor ondernemers en particulieren met een geblokkeerde rekening, beëindigde bankrelatie of geweigerde financiering is dat geen detail. Een EVR-registratie werkt vaak door in meerdere producten en relaties tegelijk. Dit artikel vergelijkt daarom PIFI 2026 met PIFI 2021 en legt uit wat hetzelfde is gebleven, waar de echte verschuiving zit en waarom dat praktisch relevant is als u al in een conflict zit met een bank, verzekeraar of andere financiële instelling.
Wie hoopt of vreest dat PIFI 2026 de lat voor EVR-registratie wezenlijk heeft verlaagd, ziet in de tekst geen breuk. De opnamecriteria in art. 5.2.1 zijn in essentie gelijk gebleven. Ook in 2026 geldt dat sprake moet zijn van gedragingen die een bedreiging vormen of kunnen vormen voor de belangen van cliënten of medewerkers, de financiële instelling zelf of de continuïteit en integriteit van de financiële sector. Daarnaast moet in voldoende mate vaststaan dat de betrokkene bij die gedraging betrokken is. En tenslotte moet het proportionaliteitsbeginsel worden gerespecteerd. Dezelfde drieslag stond ook al in PIFI 2021. Ook de maximale bewaartermijn van acht jaar is in de protocoltekst blijven staan, met de bekende nuance dat steeds opnieuw moet worden getoetst of die duur in het concrete geval evenredig is.
Dat is voor potentiële cliënten vaak het belangrijkste vertrekpunt. Een bank mag dus niet volstaan met een vaag integriteitssignaal of een algemeen onderbuikgevoel. Ook onder PIFI 2026 blijft de vraag centraal of concrete feiten en omstandigheden de registratie dragen.
De echte verschuiving zit in de praktijk, niet in de kernregel
De echte verandering zit minder in de letter van art. 5.2.1 en meer in de omgeving waarin EVR nu functioneert. PIFI 2026 sluit explicieter aan bij het huidige toezicht- en privacykader. Waar PIFI 2021 in de algemene onderbouwing nog verwees naar Europese regelgeving, de Wwft en de oude WP29-opinie over gerechtvaardigd belang, verwijst PIFI 2026 ook naar digitale weerbaarheid en naar de EDPB Guidelines 1/2024 over art. 6 lid 1 onder f AVG. Dat maakt duidelijk dat het protocol in 2026 veel nadrukkelijker wordt gepresenteerd als onderdeel van een moderne compliance- en integriteitsaanpak. Dat is geen semantiek. In procedures zullen financiële instellingen hun EVR-besluiten daardoor waarschijnlijk nog sterker inkleden als onderdeel van bredere risico- en integriteitsbeheersing.
Voor cliënten betekent dit dat verweer tegen een EVR-registratie vaak twee lagen heeft. De eerste laag is de bekende inhoudelijke vraag: zijn de feiten ernstig genoeg en staat uw betrokkenheid voldoende vast? De tweede laag is procedureel: heeft de instelling haar besluit goed opgebouwd, goed gedocumenteerd en goed gemotiveerd? Die tweede laag wordt onder PIFI 2026 belangrijker.
Meer partijen kunnen deelnemen, dus de impact kan groter zijn
Voor de praktijk misschien nog relevanter is dat PIFI 2026 de kring van mogelijke deelnemers breder en moderner formuleert. In 2021 lag de focus nog op banken, verzekeraars, hypothecaire instellingen en financieringsondernemingen. In 2026 wordt het deelnemersbegrip expliciet gekoppeld aan vergunningen en omvat het ook ondernemingen die op grond van art. 2:10a Wft betaalrekeningen aanbieden, bepaalde EU-banken en EU-verzekeraars die in Nederland diensten mogen verlenen, en kredietaanbieders met een vergunning als bedoeld in art. 2:60 Wft. Ook de definitie van “Financiële Instelling” is mee veranderd van een klassiek sectorbegrip naar een vergunning-gebaseerde benadering.
Dat klinkt technisch, maar voor cliënten is het juist praktisch. Ondernemers werken steeds vaker met andere partijen dan alleen de traditionele grootbank. Denk aan gespecialiseerde betaalinstellingen, alternatieve kredietverstrekkers of buitenlandse aanbieders die hier actief zijn. Daardoor kan een EVR-signaal in 2026 breder doorwerken dan men denkt. Het probleem beperkt zich dan niet per se tot één bankrekening. Juist daarom zien wij in de praktijk dat een EVR-registratie vaak samenloopt met vragen over rekening opzeggen door bank of bankrelatie beëindigd wegens Wwft-risico.
Het incidentbegrip is ruimer en moderner omschreven
Ook het begrip “Incident” is geactualiseerd. In 2021 noemde het protocol onder meer falsificeren van nota’s, identiteitsfraude, skimming, verduistering in dienstbetrekking, phishing en opzettelijke misleiding. In 2026 zijn daar onder meer vormen van cybercriminaliteit, misbruik van producten en onoorbaar gedrag, waaronder verbale en non-verbale agressie, explicieter in opgenomen. Dat laat zien dat PIFI 2026 beter aansluit bij moderne integriteits- en veiligheidskwesties dan de versie uit 2021.
Voor cliënten is dit relevant omdat een conflict met een financiële instelling lang niet altijd draait om een ouderwetse fraudezaak met valse stukken. Soms ligt de nadruk op digitaal gedrag, communicatie, misbruik van producten of bredere integriteitsrisico’s. Tegelijk geldt ook hier: een ruimer omschreven incidentbegrip betekent niet dat elke verdenking automatisch een EVR-registratie rechtvaardigt. De instelling moet nog steeds terug naar de opnamecriteria van art. 5.2.1 en dus aantonen dat de betrokkenheid voldoende vaststaat en dat opname proportioneel is.
2026 legt meer nadruk op dossieropbouw en waarborgen
De grootste cliëntrelevante verschuiving zit misschien wel in de Annex van 2026. Het protocol licht daarin expliciet vijf onderdelen nader toe: beveiliging, kenbaarheid, grondsllagen/proportionaliteit/subsidiariteit, aangiftebeleid en waarborgen voor de betrokkene. Op zichzelf is dat niet geheel nieuw, want ook de 2021-versie kende al zo’n toelichting. Maar PIFI 2026 werkt die onderdelen concreter uit en legt zichtbaar meer nadruk op interne werkinstructies, vastlegging en controle. Zo noemt de 2026-versie expliciet het vier-ogen-principe bij de besluitvorming, jaarlijkse training van Veiligheidszaken, documentatie van de proportionaliteitsafweging en opname van informatie in de informatiebrief aan de betrokkene. Daarnaast wordt benadrukt dat concrete feiten en omstandigheden een bewezenverklaring moeten kunnen dragen, ook als vooraf nog geen aangifte is gedaan.
Dat is belangrijk voor procedures. Voorheen lag de discussie vaak vooral op de vraag óf de bank iemand mocht registreren. Onder PIFI 2026 wordt het nog interessanter om ook te toetsen hóe de bank dat heeft gedaan. Is er een goed dossier? Is de proportionaliteitsafweging echt vastgelegd? Is de betrokkene correct geïnformeerd? Is duidelijk welke concrete feiten aan de registratie ten grondslag zijn gelegd? Als die proceskant zwak is, kan dat in een geschil over verwijdering of heroverweging relevant zijn.
Geen aangifte betekent nog steeds niet automatisch geen EVR
Een misverstand dat veel cliënten hebben, is dat zonder aangifte of strafzaak geen EVR-registratie mogelijk zou zijn. Dat klopt niet. De 2021-versie kende al de lijn dat concrete feiten en omstandigheden zodanig moeten vaststaan dat zij een strafbaar feit kunnen dragen, ongeacht of vooraf aangifte is gedaan. De 2026-versie zet die lijn voort, maar werkt haar uitvoeriger uit in de Annex. Daar staat expliciet dat ook als aangifte wordt uitgesteld of achterwege blijft, de criteria voor EVR-opname onverminderd blijven gelden en dat de deelnemer voldoende bewijs van betrokkenheid moet hebben. Tegelijk noemt PIFI 2026 voorbeelden waarin juist vanwege proportionaliteit, maatschappelijke gevolgen of lopend onderzoek nog geen aangifte wordt gedaan, terwijl EVR-opname wel in beeld blijft.
Voor cliënten is dit vaak een cruciaal punt. “Er is geen strafzaak, dus er kan geen EVR zijn” is juridisch te kort door de bocht. Maar het omgekeerde geldt ook: een bank kan niet volstaan met “wij doen geen aangifte, maar registreren wel” zonder stevig dossier. Juist dan moet scherp worden gekeken of het bewijs en de motivering daadwerkelijk voldoen aan de protocolmaatstaf.
Wat betekent dit voor u?
Voor iemand met een bestaand conflict met een bank of andere financiële instelling is de praktische conclusie helder. PIFI 2026 maakt EVR niet opeens onaanvechtbaar. De basiscriteria zijn nagenoeg gelijk gebleven. Juist daarom blijft verweer mogelijk als de feiten onvoldoende hard zijn, uw betrokkenheid niet goed is onderbouwd of de proportionaliteitsafweging te oppervlakkig is. Tegelijk is het protocol in 2026 wel moderner, breder en procedureel strakker geworden. Dat betekent dat een EVR-registratie niet alleen inhoudelijk moet kloppen, maar ook goed moet zijn opgebouwd, vastgelegd en uitgelegd.
Afsluiting
Een EVR-registratie blijft voor ondernemers en particulieren een ingrijpende maatregel. In de praktijk zien wij vaak dat zo’n registratie samenloopt met een opgezegde bankrelatie, geweigerde financiering of andere integriteitsmaatregelen. Financieel Recht Advocaten behandelt juist dit soort geschillen met banken en financiële dienstverleners. Heeft u een conflict over een EVR- of IVR-registratie, een beëindigde rekening of een opgezegde hypotheek, dan kunt u vrijblijvend contact opnemen.
Praktische FAQ’s
Is EVR onder PIFI 2026 strenger geworden?
Niet in de kerncriteria. Wel is de context moderner geworden en ligt meer nadruk op documentatie, interne waarborgen en een bredere groep deelnemers.
Kan een EVR-registratie nog steeds zonder aangifte?
Ja. Dat was in 2021 al mogelijk en blijft in 2026 zo, mits de feiten en omstandigheden de kwalificatie kunnen dragen en de betrokkenheid voldoende vaststaat.
Blijft acht jaar de standaardduur?
Acht jaar blijft het uitgangspunt, maar 2026 benadrukt explicieter dat een kortere duur mogelijk is en dat die afweging moet worden gedocumenteerd.
Waarom is PIFI 2026 voor ondernemers belangrijker dan het lijkt?
Omdat meer soorten financiële partijen kunnen deelnemen en een EVR-signaal daardoor breder kan doorwerken in bankieren, betalen, krediet en financiering.