Wwft bij contante opnames: IVR-registratie en beëindiging bankrelatie
“Een bank mag bij herhaalde contante opnames vragen stellen over herkomst en besteding van geld. Geeft de klant onvoldoende duidelijkheid, dan kan de bankrelatie worden beëindigd. In Kifid-uitspraak 2026-0405 mocht Rabobank ook intern registreren, maar moest de IVR-registratie worden verkort van zes naar vijf jaar.”
Inleiding
De Geschillencommissie Kifid oordeelde op 29 april 2026 in uitspraak nr. 2026-0405 over Wwft-cliëntenonderzoek bij contante opnames, beëindiging van een bankrelatie en registratie in de Gebeurtenissenadministratie en het IVR. Het ging om een bindend advies in een klacht van een consument tegen Coöperatieve Rabobank U.A. De consument vorderde verwijdering van de interne registraties en schadevergoeding. Kifid wees de klacht gedeeltelijk toe: de bank hoefde de registraties niet te verwijderen, maar moest de registratieduur wel verkorten tot vijf jaar. De uitspraak is relevant voor klanten die te maken krijgen met Wwft-cliëntenonderzoek door de bank, vooral wanneer contante geldstromen onvoldoende controleerbaar zijn.
De contante opnames die tot vragen leidden
De consument had een betaalrekening en een spaarrekening bij Rabobank. Op de relatie waren de Algemene Bankvoorwaarden 2017 van toepassing. In september 2024 nam de bank contact op in het kader van doorlopend cliëntenonderzoek op grond van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme, de Wwft.
De aanleiding was een reeks contante opnames. De consument nam in april 2023, september 2023, april 2024 en mei 2024 telkens € 5.000 contant op. In juni 2024 ging het om € 10.000. Ook stelde de bank vragen over bedragen die van een derde op de rekening van de consument waren ontvangen.
De bank vroeg de consument om concreet toe te lichten wat de reden en het bestedingsdoel van de contante opnames was. Ook vroeg zij om schriftelijke bewijsstukken. Volgens de consument hielden de opnames verband met vakanties in Marokko, waar hij veel contant betaalde. Hij vond dat de bank te veel detailinformatie verlangde en dat gewone consumenten geen bonnetjes bewaren van dergelijke uitgaven.
Rabobank vond de uitleg onvoldoende. Nadat volgens de bank geen inhoudelijke en verifieerbare toelichting was gegeven, liet zij op 16 december 2024 weten de bankrelatie per 17 februari 2025 te beëindigen. In dezelfde brief deelde zij mee dat de persoonsgegevens van de consument voor zes jaar in het IVR waren geregistreerd.
Kifid stelde voorop dat banken op grond van de Wwft verplicht zijn cliëntenonderzoek te verrichten. Dat onderzoek eindigt niet na opening van een rekening. De bank moet ook tijdens de relatie controleren of transacties passen bij wat zij weet over de klant, diens risicoprofiel en het doel van de bankrelatie.
Contante geldstromen kunnen daarbij extra aandacht krijgen. Dat betekent niet dat contant geld verboden is. Het betekent wel dat contante opnames lastiger te volgen zijn dan girale betalingen. Een bank kan daarom vragen stellen als de omvang of frequentie van contante opnames daar aanleiding toe geeft.
Volgens Kifid mocht Rabobank in deze zaak nadere vragen stellen. De combinatie van meerdere opnames van € 5.000 en één opname van € 10.000 gaf voldoende aanleiding voor onderzoek. Een algemene verklaring dat het geld voor vakantie-uitgaven was gebruikt, hoefde de bank niet zonder meer te accepteren. De bank mocht vragen om informatie waarmee zij het bestedingsdoel en de herkomst van de gelden beter kon beoordelen.
De opzegging van de bankrelatie
De bank baseerde de opzegging mede op artikel 35 van de Algemene Bankvoorwaarden. Die bepaling geeft de bank de mogelijkheid om de bancaire relatie op te zeggen. Daarbij moet zij wel haar zorgplicht naleven en rekening houden met de belangen van de klant. Daarnaast wordt een opzegging getoetst aan de redelijkheid en billijkheid.
In Wwft-zaken speelt artikel 5 lid 3 Wwft een belangrijke rol. Als een bank het cliëntenonderzoek niet kan uitvoeren, moet zij de zakelijke relatie beëindigen. De bank heeft dan niet alleen een contractuele bevoegdheid, maar kan ook een wettelijke verplichting hebben om de relatie te beëindigen.
Kifid vond dat Rabobank het cliëntenonderzoek niet kon afronden. De consument had volgens de commissie onvoldoende duidelijkheid gegeven over de herkomst en het bestedingsdoel van de contante bedragen. De stukken die later werden overgelegd, zoals vluchtgegevens, paspoortstempels en douaneformulieren, namen de zorgen van de bank slechts beperkt weg. Zij maakten niet concreet duidelijk waaraan de contante bedragen waren besteed. Daarom mocht de bank de relatie beëindigen.
Geen disproportionele informatie-uitvraag
De consument voerde aan dat Rabobank onevenredig veel informatie vroeg. Hij beriep zich op zijn privacy, de AVG en de Grondwet. Volgens hem ging het te ver om bewijsstukken van vakantie-uitgaven te verlangen.
Kifid volgde dat standpunt niet. De bank was wettelijk verplicht cliëntenonderzoek te doen en mocht in dat kader persoonsgegevens verwerken voor zover dat noodzakelijk was. De commissie vond niet dat Rabobank disproportionele of bovenmatig ruime verzoeken had gedaan. De vragen waren toegespitst op de herkomst en bestemming van de contante gelden.
Daarmee maakt de uitspraak duidelijk dat een beroep op privacy niet automatisch verhindert dat een bank informatie mag opvragen. De bank moet wel kunnen uitleggen waarom de gegevens nodig zijn en waarom de uitvraag past bij het concrete risico. In deze zaak was dat volgens Kifid voldoende onderbouwd.
Het verschil tussen verdenking en onvoldoende duidelijkheid
Belangrijk is dat Kifid niet heeft vastgesteld dat de consument heeft witgewassen of fraude heeft gepleegd. De uitspraak draait om een andere vraag: kon de bank voldoende duidelijkheid krijgen om haar Wwft-verplichtingen na te leven?
Dat onderscheid is er zeker in de praktijk. Klanten ervaren Wwft-vragen vaak als een verdenking. Toch gaat het juridisch regelmatig om controleerbaarheid. Als een bank niet kan vaststellen waar geld vandaan komt of waaraan contante bedragen zijn besteed, kan zij het risico niet goed beoordelen. Dat kan al voldoende zijn voor ingrijpende maatregelen, ook zonder bewezen fraude.
Interne registratie in Gebeurtenissenadministratie en IVR
Naast de opzegging ging het geschil over de registratie in de Gebeurtenissenadministratie en het IVR. Dit zijn interne registers van de bank en de groep waartoe de bank behoort. Zij zijn bedoeld om de veiligheid en integriteit van de organisatie te beschermen. Kifid oordeelde dat Rabobank de persoonsgegevens van de consument daarin mocht opnemen. De registratie moest worden getoetst aan de AVG. Daarbij ging het om de vraag of de bank een gerechtvaardigd belang had en of de registratie proportioneel was.
Volgens de commissie had de bank dat gerechtvaardigde belang. De consument had onvoldoende informatie verstrekt om het Wwft-cliëntenonderzoek succesvol af te ronden. Dat was een gebeurtenis die voor de veiligheid en integriteit van de bank speciale aandacht mocht krijgen.
Wel is een IVR-registratie iets anders dan een EVR-registratie. Het IVR werkt intern binnen de bank of de groep. Het Extern Verwijzingsregister kan onder voorwaarden door andere financiële instellingen worden geraadpleegd en heeft daardoor vaak zwaardere gevolgen. In deze zaak woog mee dat de registratie intern bleef en de consument niet verhinderde om bij andere financiële instellingen een relatie aan te gaan.
Waarom zes jaar te lang was voor de IVR-registratie
Hoewel Kifid de interne registratie toestond, vond de commissie de duur van zes jaar te lang. Rabobank stelde dat de registratie niet op de Wwft was gebaseerd en daarom niet aan de Wwft-bewaartermijn van vijf jaar was gebonden.
Kifid keek naar de feitelijke grondslag van de registratie. De bank had de informatie opgevraagd in het kader van Wwft-cliëntenonderzoek. De reden voor de opzegging en de registratie was dezelfde: onvoldoende inzicht in de herkomst en bestemming van de contante geldstromen. Volgens Kifid vormde het Wwft-kader daarom de logische en directe basis voor beide maatregelen.
Artikel 33 lid 3 Wwft bepaalt dat gegevens uit cliëntenonderzoek vijf jaar worden bewaard na beëindiging van de zakelijke relatie of na uitvoering van de transactie. Artikel 34a lid 3 Wwft bepaalt dat persoonsgegevens die uit hoofde van de Wwft zijn verkregen na die termijn moeten worden vernietigd, tenzij een wettelijke uitzondering geldt.
Rabobank moest de registratie daarom verkorten tot vijf jaar na het daadwerkelijke einde van de klantrelatie. Voor bezwaar tegen EVR-registratie of IVR-registratie is dit een belangrijk punt: niet alleen het label dat de bank op de registratie plakt is van belang, maar vooral de feitelijke basis daarvan.
Geen schadevergoeding
De consument vorderde ook schadevergoeding. Het ging om € 120 aan aanmaningskosten voor een nota van de Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen en € 300 aan immateriële schadevergoeding.
Kifid wees die vordering af. Omdat de bank volgens de commissie had gehandeld in overeenstemming met haar wettelijke verplichtingen en de relatie mocht beëindigen, ontbrak een grondslag voor schadevergoeding. Dat de registratieduur moest worden verkort, maakte dit niet anders.
Praktische betekenis voor bankgeschillen
Deze uitspraak past in een bredere lijn waarin banken ruimte krijgen om hun poortwachtersfunctie uit te oefenen. Tegelijk laat de uitspraak zien dat die ruimte niet onbeperkt is. De bank mocht de relatie beëindigen en intern registreren, maar moest de duur van de registratie aanpassen aan het Wwft-kader.
Voor geschillen over Wwft-cliëntenonderzoek door de bank, beëindiging van een bankrelatie, geschil over vastgoedfinanciering of een procedure tegen een bank of financiële dienstverlener is de feitelijke onderbouwing vaak doorslaggevend. Het gaat om de concrete vragen van de bank, de gegeven antwoorden, de beschikbare stukken en de vraag of de maatregel proportioneel is.
Ook bij opzegging van een hypotheek door de bank of bij bredere financieringskwesties kan deze uitspraak relevant zijn wanneer contante geldstromen, betalingen door derden of onduidelijke herkomst van middelen een rol spelen. De centrale les is dat Wwft-zorgen niet hoeven te leiden tot een vaststelling van fraude, maar wel tot beëindiging of registratie kunnen leiden als het risico onvoldoende kan worden beoordeeld.
Afsluiting
Financieel Recht Advocaten staat cliënten bij in bank- en financiële geschillen, waaronder cliëntenonderzoek, Wwft-kwesties, beëindiging van bankrelaties, EVR/IVR-registraties, hypotheek- en financieringskwesties en procedures tegen financiële dienstverleners. In zaken over Wwft-cliëntenonderzoek bij contante opnames komt het vaak aan op de concrete correspondentie, de proportionaliteit van de uitvraag en de juridische grondslag van opzegging of registratie. Vrijblijvend contact opnemen is mogelijk wanneer sprake is van een serieus financieel geschil dat om zorgvuldige juridische beoordeling vraagt.
Disclaimer: Deze bijdrage bevat algemene informatie en is geen individueel juridisch advies; de beoordeling van een concreet geschil hangt af van feiten, stukken en omstandigheden.
Praktische FAQ’s
Mag een bank vragen stellen over contante opnames?
Ja. Een bank mag in het kader van Wwft-cliëntenonderzoek vragen stellen over contante opnames, zeker wanneer het gaat om herhaalde of aanzienlijke bedragen. De bank moet kunnen beoordelen of transacties passen bij het klantbeeld en of sprake is van integriteitsrisico’s.
Betekent Wwft-cliëntenonderzoek dat de klant wordt verdacht van witwassen?
Niet zonder meer. Een Wwft-onderzoek betekent dat de bank informatie nodig heeft om haar wettelijke verplichtingen na te leven. In deze uitspraak stelde Kifid niet vast dat de consument had witgewassen. Wel mocht de bank concluderen dat zij haar cliëntenonderzoek niet kon afronden.
Mag de bank de bankrelatie beëindigen als vragen onvoldoende worden beantwoord?
Ja, onder omstandigheden. Als de bank door onvoldoende informatie het cliëntenonderzoek niet kan uitvoeren, kan zij op grond van artikel 5 lid 3 Wwft gehouden zijn de relatie te beëindigen. Kifid vond de opzegging in deze zaak niet onaanvaardbaar.
Wat is het verschil tussen IVR en EVR?
Het IVR is een intern verwijzingsregister binnen de bank of de groep waartoe de bank behoort. Het EVR heeft een externe werking en kan onder voorwaarden door andere financiële instellingen worden geraadpleegd. In deze uitspraak ging het om interne registratie in de Gebeurtenissenadministratie en het IVR.
Waarom moest de IVR-registratie worden verkort tot vijf jaar?
Kifid vond dat de registratie feitelijk voortvloeide uit Wwft-cliëntenonderzoek. Omdat de Wwft een bewaartermijn van vijf jaar kent voor gegevens uit cliëntenonderzoek, moest Rabobank de registratieduur verkorten van zes jaar naar vijf jaar na het daadwerkelijke einde van de bankrelatie.