Rechtbank Amsterdam wil de Hoge Raad verzoeken om zich te buigen over rentederivaten

Op 20 april 2010 is tussen Verhuurder en BV A als huurder overeengekomen dat Verhuurder haar bedrijfsruimte aan BV A zal verhuren voor de exploitatie van een kinderspeelparadijs. De overeengekomen huurprijs bedraagt € 15.569,16 per maand. Op 17 september 2012 hebben Verhuurder en BV A tevens een geldlening gesloten, op basis waarvan Verhuurder aan BV A een bedrag van € 161.467 heeft verstrekt ter financiering van enkele aangebrachte installaties in het gehuurde. De directeur van BV A (hierna: “Borg”) heeft zich borg gesteld voor de terugbetaling van deze lening. Bij brief van 1 augustus 2013 heeft Verhuurder BV A in gebreke gesteld wegens niet nakoming van de terugbetaling van o.a. de in de hiervoor vermelde overeenkomsten betalingsverplichtingen.

Per brief d.d. 8 augustus 2013 heeft de echtgenote van Borg de vernietiging van de borgstelling van Borg ingeroepen op grond van art. 1:88 en 1:89 BW. Op grond van die artikelen dient de echtgenote van een borg de borgstelling in bepaalde situaties mede te ondertekenen. Op 27 augustus 2013 is BV A uiteindelijk failliet verklaard. Vervolgens is Verhuurder een gerechtelijke procedure gestart tegen de Borg om de achterstallige gelden op hem te verhalen.

Rechtbank: borgstelling vernietigd, is niet in normale bedrijfsuitoefening aangegaan

In eerste aanleg heeft de rechtbank geoordeeld dat het beroep op vernietiging van de borgstelling door de echtgenote van de Borg was geslaagd. Volgens de rechtbank was toestemming van de echtgenote voor deze borgstelling vereist op grond van art. 1:88 en 1:89 BW, omdat Verhuurder onvoldoende had onderbouwd dat de borgstelling was aangegaan in de normale bedrijfsuitoefening. Nu de borgstelling niet medeondertekend was door de echtgenote van Borg, was deze toestemming dus niet gegeven, waardoor de borgstelling vernietigd diende te worden. Tegen deze uitspraak is de Verhuurder in hoger beroep gegaan.

Gerechtshof bekrachtigt vonnis: aangaan van een lening voor de inrichting van een bedrijf is géén rechtshandeling in de normale bedrijfsuitoefening

Het gerechtshof oordeelt dat een echtgenoot toestemming behoeft van de andere echtgenoot indien hij zich als borg verbindt, tenzij hij zulks doet ‘in de normale uitoefening van zijn beroep of bedrijf’. Dit criterium is met het oog op de gezinsbescherming, meer in het bijzonder de bescherming van de echtgenoot, beperkt uitgelegd in de rechtspraak van de Hoge Raad: het moet gaan om handelingen die ‘kenmerkend zijn in deze zin dat zij in de normale uitoefening daarvan gebruikelijk zijn’. Daarbij dient te worden beoordeeld of de aan de borgstellingsovereenkomst onderliggende rechtshandeling (in dit geval het aangaan van leningsovereenkomst) tot de normale bedrijfsuitoefening behoort.

In onderhavige zaak oordeelt het gerechtshof dat de leningsovereenkomst ten aanzien waarvan Borg zich borg gesteld heeft, is aangegaan ter financiering van installaties in het gehuurde. Deze installaties waren noodzakelijk voor de inrichting van het speelparadijs. Daaruit blijkt dat het hier niet gaat om een alledaags bankkrediet waarbij met het oog op de (lopende) bedrijfsuitoefening de liquiditeitspositie wordt vergroot, maar om de financiering van investeringskosten. Het gaat er in deze kwestie om dat de financiering is verstrekt met het oog op de inrichting van een bedrijf en niet op de exploitatie van dat bedrijf. Dat zonder die inrichting exploitatie niet mogelijk is, spreekt voor zich, maar laat onverlet dat de aard van de financiering verschilt van een gewoon bankkrediet, waarbij liquide middelen worden verstrekt. Het gerechtshof is dan ook van oordeel dat de in art. 1:88 en 1:89 BW genoemde uitzonderingen op het toestemmingsvereiste niet aan de orde zijn. De echtgenote had de borgstellingsverklaring mede moeten ondertekenen. De borgstellingsverklaring blijft dan ook vernietigd. De Borg hoeft niets aan Verhuurder te betalen.

Financieel Recht Advocaten

Heeft u zichzelf ook als borg gesteld voor de terugbetaling van een krediet aan uw bank en wordt u daarop aangesproken terwijl u niet (volledig) ingelicht bent omtrent de risico’s? Of heeft uw echtgenote de borgstellingsverklaring niet medeondertekend? Wij hebben ruime ervaring met het procederen tegen banken, verzekeraars en vermogensbeheerders alsmede tussenpersonen en/of financieel adviseurs. Neem hier vrijblijvend contact met ons op via ons contactformulier.

Klik hier voor de volledige uitspraak in hoger beroep.

Zie ook vergelijkbare uitspraken:

Jip van Vlokhoven

Wij staan voor u klaar

  • Tegen financiële dienstverleners
  • 10+ jaar ervaring
  • Eerlijk en transparant
Laat ons u helpen of bel 0416 65 00 86
Victor Welten

Wij helpen u graag

  • Tegen financiële dienstverleners
  • 10+ jaar ervaring
  • Eerlijk en transparant