“Volgens Kifid mocht Rabobank de bestuurder opnemen in het EVR, omdat voldoende vaststond dat hij bij een zakelijke kredietaanvraag relevante informatie over een ander financieringstraject en een eerder pandrecht had verzwegen.”
Inleiding
De Geschillencommissie Kifid heeft op 1 mei 2026 uitspraak gedaan over een EVR-registratie na een zakelijke kredietaanvraag bij Rabobank. Het gaat om Kifid-uitspraak 2026-0414, een niet-bindend advies van de Geschillencommissie. De consument was bestuurder of middellijk bestuurder van twee ondernemingen die bij Rabobank een zakelijke financiering kregen van in totaal € 300.000. Rabobank stelde later dat zij bij die kredietaanvraag was misleid, omdat kort daarvoor al een pandrecht aan een andere financier was verstrekt.
Deze uitspraak laat goed zien hoe een EVR-registratie in een specifieke zakelijke context wordt beoordeeld. Het centrale punt is de rechtmatigheid van de registratie. De reden voor die registratie ligt echter in het kredietdossier: de informatie die de ondernemer wel of niet aan de bank had verstrekt over financieringen en zekerheden.
De zakelijke kredietaanvraag als achtergrond van de EVR-registratie
Rabobank verstrekte op 25 augustus 2023 een zakelijke financiering aan twee ondernemingen. De financiering bestond uit een krediet met een kredietlimiet van € 200.000 en een geldlening van € 100.000. De consument vertegenwoordigde de ondernemingen als bestuurder respectievelijk middellijk bestuurder en ondertekende de kredietovereenkomst.
Bij die financiering speelde de zekerheidspositie van Rabobank een belangrijke rol. In de kredietovereenkomst stond dat Rabobank een eerste pandrecht zou krijgen op onder meer de huidige en toekomstige bedrijfsmiddelen, voorraden en vorderingen van de ondernemingen. De consument ondertekende op dezelfde dag ook een onderhandse pandakte. Daarin werd namens de ondernemingen verklaard dat op het onderpand geen beperkte rechten, voorrechten of beslagen rustten, behalve voor zover uitdrukkelijk vermeld.
Kort daarvoor, op 15 augustus 2023, was echter al een pandrecht gevestigd ten gunste van een andere financier. Daardoor kreeg Rabobank volgens haar niet het eerste pandrecht dat zij dacht te verkrijgen. Nadat een van de ondernemingen op 4 februari 2025 failliet was verklaard, kwam de financieringsaanvraag opnieuw onder de aandacht. Rabobank onderzocht het dossier en stelde dat de consument relevante informatie had verzwegen.
Op 9 mei 2025 liet Rabobank de consument weten dat zijn persoonsgegevens waren opgenomen in het Incidentenregister, het Extern Verwijzingsregister en het Intern Verwijzingsregister. De einddatum van de registraties werd gesteld op 3 september 2032. De consument maakte bezwaar en stapte daarna naar Kifid.
Waarom Rabobank vond dat registratie gerechtvaardigd was
Rabobank stelde dat de consument bij het aanvragen en afsluiten van de zakelijke financiering had verzwegen dat er ook een financieringstraject liep bij een andere partij. Daarnaast had hij volgens Rabobank een pandakte ondertekend waarin stond dat de roerende zaken vrij waren van verpanding, terwijl dat niet het geval was.
De kern van het verwijt was dus niet alleen dat Rabobank achteraf een minder sterke zekerheidspositie had. Het verwijt was dat de bank bij de kredietbeslissing geen juist beeld had gekregen van de bestaande en voorgenomen zekerheden. Volgens Rabobank had zij de financiering niet verstrekt zoals zij dat had gedaan als zij had geweten dat een andere financier al een pandrecht had gekregen.
De consument betwistte dat hij Rabobank had willen misleiden. Hij stelde dat hij te goeder trouw had gehandeld, al jarenlang klant was en zich altijd als goed debiteur had gedragen. Ook voerde hij aan dat hij tijdens gesprekken met Rabobank had gemeld dat er sprake was van een andere financiering. Verder stelde hij dat hij dacht dat het eerdere pandrecht van ABN AMRO zou overgaan op Rabobank en dat het pandrecht van de andere financier daarom geen probleem zou zijn.
Kifid moest dus beoordelen of de feiten voldoende zwaar waren om opname in het Incidentenregister en het EVR te dragen. Daarbij stond de EVR-registratie centraal, maar de beoordeling kon niet los worden gezien van de concrete gang van zaken bij de zakelijke kredietaanvraag.
De juridische norm voor opname in het EVR
Een EVR-registratie is ingrijpend. Het Extern Verwijzingsregister is gekoppeld aan het Incidentenregister van financiële instellingen. Andere deelnemende financiële instellingen kunnen door raadpleging van het EVR zien dat iemand in verband wordt gebracht met een incident. Dat kan gevolgen hebben voor toegang tot financiële diensten, kredietverlening, bankrekeningen en acceptatievoorwaarden.
Daarom gelden hoge eisen voor opname in het EVR. Kifid toetste aan het Protocol Incidentenwaarschuwingssysteem Financiële Instellingen 2021, de AVG en de UAVG. Volgens artikel 5.2.1 PIFI moet het gaan om gedragingen die een bedreiging vormen of kunnen vormen voor de financiële belangen van een financiële instelling, of voor de continuïteit en integriteit van de financiële sector. Ook moet in voldoende mate vaststaan dat de betrokkene bij die gedragingen betrokken is. Daarnaast moet het proportionaliteitsbeginsel worden toegepast.
Bij verwerking van strafrechtelijke persoonsgegevens geldt volgens de uitspraak de maatstaf van een zwaardere verdenking dan een redelijk vermoeden van schuld. Dat betekent dat een strafrechtelijke veroordeling niet nodig is, maar dat een enkele verdenking onvoldoende is. De feiten moeten voldoende concreet en stevig zijn om de registratie te kunnen dragen.
In zaken over bezwaar tegen EVR-registratie is dit vaak het juridische zwaartepunt. De bank moet niet alleen stellen dat sprake is van misleiding, fraude of onregelmatigheden. Zij moet ook laten zien welke feiten dat verwijt ondersteunen.
Waarom Kifid de verdenking voldoende vond
Kifid vond dat Rabobank de consument mocht registreren. Volgens de commissie stond in voldoende mate vast dat de consument Rabobank had misleid bij de aanvraag van de zakelijke financiering.
Daarbij woog zwaar dat de consument op 15 augustus 2023 namens de ondernemingen een pandrecht had gevestigd ten gunste van een andere financier en tien dagen later bij Rabobank stukken ondertekende waarin werd uitgegaan van een eerste pandrecht voor Rabobank. Volgens de commissie had de consument moeten begrijpen dat dit voor Rabobank van groot belang was bij de beoordeling van de kredietaanvraag.
Kifid vond onvoldoende steun in het dossier voor de stelling dat de consument tijdens de gesprekken met Rabobank had gemeld dat ook een financiering bij de andere partij liep. De andere financier stond niet in het overzicht van schulden dat op 2 augustus 2023 aan Rabobank was verstrekt. Rabobank had bovendien toegelicht dat uit haar gespreksnotities niet bleek dat over de andere financier was gesproken.
De verklaring van een zakenpartner van de consument legde volgens de commissie onvoldoende gewicht in de schaal om vast te stellen dat Rabobank wel degelijk op de hoogte was gebracht. Ook het beroep op onbegrip over pandrechten hielp de consument niet. Kifid overwoog dat hij zich had laten bijstaan door een adviseur en dat van hem als ervaren ondernemer mocht worden verwacht dat hij zich in de betekenis van pandrechten en rangorde zou verdiepen.
Daarmee werd de zakelijke kredietaanvraag de feitelijke basis voor de EVR-registratie. Niet iedere fout of onduidelijkheid in een kredietdossier zal tot registratie kunnen leiden. In deze zaak vond Kifid echter dat het ging om het achterhouden van informatie die voor Rabobank wezenlijk was.
De betekenis van het pandrecht voor de registratie
Het pandrecht is in deze uitspraak belangrijk omdat het duidelijk maakt waarom de bank de informatie relevant vond. Een eerste pandrecht geeft een bank een sterkere positie bij verhaal dan een tweede pandrecht. Als een onderneming failliet gaat, kan de rangorde van zekerheden beslissend zijn voor de vraag of de bank nog verhaal kan nemen.
Rabobank stelde dat zij door het achterhouden van informatie ernstig was benadeeld. Haar vordering op de ondernemingen bedroeg volgens de toelichting ter zitting ongeveer € 278.000. Doordat Rabobank geen eerste maar een tweede pandrecht had gekregen, was die vordering volgens Rabobank vrijwel oninbaar geworden.
Kifid nam dit mee bij de proportionaliteit van de registratie. Dat is van belang voor de praktijk. De rechtmatigheid van een EVR-registratie hangt niet alleen af van de vraag of een document onjuist was of informatie ontbrak. Ook de betekenis van die informatie voor de bank, de ernst van het verwijt en de gevolgen voor de financiële instelling kunnen meewegen.
Bij zakelijke financieringen zijn zekerheden zelden bijzaak. Dat geldt ook bij een geschil over vastgoedfinanciering, herfinanciering van ondernemingen of discussies over aanvullende zekerheden. Als een bank stelt dat zij op basis van onvolledige informatie een krediet heeft verstrekt, kan dat later doorwerken in haar beoordeling van integriteitsrisico’s en registratiemaatregelen.
Proportionaliteit en subsidiariteit van de EVR-registratie
Nadat Kifid had vastgesteld dat de verdenking voldoende was, moest de commissie beoordelen of Rabobank het proportionaliteitsbeginsel en subsidiariteitsbeginsel had nageleefd.
Subsidiariteit betekent dat het doel niet met een minder ingrijpend middel kan worden bereikt. Volgens Kifid was het doel van de registratie om andere financiële instellingen te waarschuwen dat bij de consument sprake was geweest van misleiding bij een kredietaanvraag. Dat doel kon volgens de commissie niet op een andere manier worden bereikt dan met opname in het EVR.
Bij proportionaliteit gaat het om de belangenafweging. Het belang van financiële instellingen om te worden gewaarschuwd voor misleidend gedrag moet worden afgewogen tegen het belang van de betrokkene om zonder belemmeringen aan het financiële verkeer te kunnen deelnemen. Kifid erkende dat een EVR-registratie impact kan hebben, maar vond het handelen in deze zaak ernstig genoeg om registratie te rechtvaardigen.
De consument had volgens de commissie onvoldoende concrete belangen aangevoerd die maakten dat zijn belang zwaarder moest wegen dan het belang van Rabobank en andere financiële instellingen. Dat punt komt vaker terug in procedures over EVR-registraties. Algemene stellingen over hinder of reputatieschade zijn niet altijd voldoende; de commissie kijkt naar concrete omstandigheden, stukken en gevolgen.
De duur van de registratie tot 3 september 2032
Rabobank had de EVR-registratie laten lopen tot en met 3 september 2032. De consument betwistte de startdatum, maar Kifid volgde dat niet. Wel constateerde de commissie een interne tegenstrijdigheid: acht jaar gerekend vanaf de brief van 9 mei 2025 leidt tot een latere einddatum dan 3 september 2032. Nu Rabobank dat verschil niet verklaarde, hield Kifid de voor de consument gunstigste uitleg aan. De duur zelf achtte de commissie proportioneel, gelet op de ernst van het handelen, het ontbreken van spijtbetuiging en de financiële schade. Wie de duur wil aanvechten, moet concreet maken waarom de registratie in zijn situatie onevenredig uitpakt. Algemene bezwaren volstaan niet.
Afsluiting
Financieel Recht Advocaten staat cliënten bij in bank- en financiële geschillen waarin registraties, kredietverlening, zekerheden of integriteitsbeoordelingen grote gevolgen kunnen hebben. Dat geldt onder meer bij cliëntenonderzoek, WWFT-kwesties, beëindiging van bankrelaties, EVR/IVR-registraties, hypotheek- en financieringskwesties en procedures tegen financiële dienstverleners. Bij zaken waarin een bank stelt dat bij een zakelijke kredietaanvraag onjuiste of onvolledige informatie is verstrekt, is een zorgvuldige analyse van het kredietdossier en de registratiegrond essentieel.
Disclaimer: deze blog bevat algemene informatie en is geen individueel juridisch advies; de beoordeling van een EVR-registratie of kredietgeschil hangt altijd af van de feiten, stukken en omstandigheden.
Praktische FAQ’s
Kan een EVR-registratie volgen uit een zakelijke kredietaanvraag?
Ja. Deze Kifid-uitspraak laat zien dat een EVR-registratie ook kan volgen uit een zakelijke kredietaanvraag als de bank voldoende concreet onderbouwt dat relevante informatie is verzwegen of een onjuiste voorstelling van zaken is gegeven.
Waarom was het verzwegen pandrecht zo belangrijk?
Rabobank ging ervan uit dat zij een eerste pandrecht kreeg op bedrijfsmiddelen, voorraden en vorderingen. Omdat kort daarvoor al een pandrecht aan een andere financier was verstrekt, kreeg Rabobank volgens haar niet de zekerheidspositie waarop de kredietverlening was gebaseerd.
Is een strafrechtelijke veroordeling nodig voor opname in het EVR?
Nee. Volgens de in de uitspraak toegepaste maatstaf is een strafrechtelijke veroordeling niet vereist. Wel moet sprake zijn van een zwaardere verdenking dan een redelijk vermoeden van schuld. Een enkele verdenking is onvoldoende.
Waarom bleef de registratieduur tot 3 september 2032 in stand?
Kifid vond de duur proportioneel vanwege de ernst van het handelen, de financiële benadeling van Rabobank en het ontbreken van concrete belangen die een kortere duur rechtvaardigden. De commissie ging wel uit van de voor de consument gunstigste einddatum.
Wat maakt deze uitspraak praktisch relevant?
De uitspraak laat zien hoe EVR-registraties werken in de context van zakelijke kredietverlening. Niet alleen fraude met documenten, maar ook het achterhouden van informatie over financiering en zekerheden kan onder omstandigheden tot registratie leiden.