Opzegging bankrelatie door Rabobank: wanneer is beëindiging onder de Wwft en ABV niet toegestaan?
“Een bank mag uw bankrelatie niet zomaar beëindigen met een beroep op de Wwft. Alleen als het cliëntenonderzoek echt niet kan worden afgerond (bijvoorbeeld door gebrek aan medewerking) kan beëindiging verplicht zijn. In ECLI:NL:RBAMS:2025:9352 moest Rabobank de relatie en hypotheek voortzetten omdat de klant wél meewerkte en opzegging onaanvaardbaar was.”
Rekening opgezegd, hypotheek “direct opeisbaar”, en dan ook nog (dreiging van) een IVR-registratie: voor veel mensen is dit het rampscenario. In een vonnis van de Rechtbank Amsterdam van 26 november 2025 kreeg een particuliere klant gelijk tegen Rabobank. De bank had de bankrelatie beëindigd en wilde ook de hypotheek laten aflossen, omdat zij het Wwft-cliëntenonderzoek niet zou kunnen afronden en omdat zij contractueel mocht opzeggen (artikel 35 ABV). De rechtbank wees beide pijlers grotendeels af: er was géén wettelijke opzegplicht op grond van artikel 5 lid 3 Wwft, en de contractuele opzegging was in deze omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar. Ook moest een eventuele IVR-registratie worden verwijderd.
Wat speelde er precies in deze zaak?
De klant bankierde sinds 2017 bij Rabobank met betaal- en spaarrekening en had daar ook een hypotheek (ongeveer € 597 per maand). Over meerdere jaren deed hij contante stortingen (totaal € 13.205 tussen 2017 en april 2024). Rabobank startte in 2024 een cliëntenonderzoek, stelde meerdere rondes vragen (onder meer over contante herkomst, transacties en betrokkenheid bij een stichting) en vond de antwoorden “geen comfort” geven. Uiteindelijk kondigde Rabobank beëindiging van de bankrelatie aan per 27 mei 2025 en een IVR-registratie voor acht jaar. Daarbovenop eiste Rabobank dat de hypotheek vóór die datum volledig zou worden afgelost.
De klant maakte bezwaar, dat werd afgewezen. In kort geding kreeg hij al tijdelijke bescherming: de bank moest de relatie voortzetten tot de bodemrechter zou beslissen (ECLI:NL:RBAMS:2025:3783). In de bodemzaak stond de kernvraag centraal: was beëindiging verplicht onder de Wwft, en zo niet, mocht Rabobank dan toch opzeggen op grond van artikel 35 ABV?
Wwft-opzegplicht: wanneer móét een bank beëindigen?
De Wet ter voorkoming van witwassen en financieren terrorisme verplicht banken tot cliëntenonderzoek en “voortdurende controle” op de relatie en transacties. Als een instelling het cliëntenonderzoek niet kan voltooien, schrijft artikel 5 lid 3 Wwft voor dat de relatie moet worden beëindigd. Banken hebben daarbij geen opsporingsbevoegdheden en zijn deels afhankelijk van informatie van de klant. Daarom vragen banken vaak om verklaringen en documenten over herkomst van middelen, transacties, en (bij zakelijke klanten) UBO’s en geldstromen.
Belangrijk: “niet kunnen afronden” is niet hetzelfde als “de bank is niet gerustgesteld”. De Wwft gaat om de vraag of de bank, met de beschikbare informatie en medewerking, haar wettelijke verplichtingen kan uitvoeren. Een bank mag streng zijn en doorvragen, maar de maatstaf is niet dat een klant elk detail perfect kan reconstrueren of dat alle cashstromen volledig traceerbaar zijn tot op bonnetje-niveau, zeker niet bij kleine bedragen over een lange periode.
Praktisch gezien komt een echte Wwft-opzegplicht vaker in beeld als:
de klant weigert informatie te geven of structureel ontwijkt;
aangeleverde informatie aantoonbaar vals is of essentiële stukken ontbreken zonder goede verklaring;
de bank daardoor het risicobeeld niet kan vormen en de relatie niet kan monitoren.
Wat besliste de rechtbank over artikel 5 lid 3 Wwft?
De rechtbank benadrukte dat beoordeeld wordt naar de stand van zaken op het moment van opzegging (“ex tunc”). Het was aan Rabobank om te onderbouwen dat zij wettelijk verplicht was de relatie te beëindigen.
De rechtbank vond géén opzegplicht. De kernredenen:
De klant had steeds geantwoord op vragen, reageerde tijdig en stelde zich coöperatief op. Tegenwerking was niet gebleken.
Dat niet elk antwoord met perfect bewijs kon worden onderbouwd, maakt niet automatisch dat het cliëntenonderzoek onmogelijk is.
De herkomst van contante stortingen was in hoofdlijnen verklaard (steun van ouders, wisselen van valuta, verkoop van goederen/voorraad), mede ondersteund door documenten (o.a. verklaring ouders, reisbewegingen, belastingaangiften, stukken over goud/omwisseling).
Het totaal aan contante stortingen (€ 13.205 in zeven jaar) vond de rechtbank relatief beperkt; volledige traceerbaarheid van alle contante middelen is niet per se vereist om het onderzoek te kunnen afronden.
Voor betalingen vanaf ING-rekeningen vond de rechtbank niet overtuigend dat de klant afschriften had geweigerd; bovendien was er een plausibele verklaring dat de echtgenote (met aantoonbaar inkomen) hypotheeklasten meebetaalde.
Belangrijk detail: de rechtbank maakte duidelijk dat als antwoorden een bank “geen comfort” geven, de bank opties heeft (zoals een FIU-melding of opzegging op andere grond), maar dat dit niet automatisch betekent dat artikel 5 lid 3 Wwft van toepassing is.
De tweede route: opzegging via artikel 35 ABV, waarom ging dat hier mis?
Veel banken beroepen zich naast de Wwft op artikel 35 ABV. Maar die bevoegdheid is niet onbeperkt. Door de bancaire zorgplicht en de maatschappelijke functie van banken moeten zij ook de belangen van de klant meewegen. In extreme gevallen kan opzegging “naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar” zijn (artikel 6:248 lid 2 BW).
In deze zaak woog de rechtbank zwaar mee:
Rabobank had geen Wwft-opzegplicht; de “integriteitsnoodzaak” was dus niet hard gemaakt.
Er was volgens de rechtbank geen hypotheekfraude bewezen. Rabobank stelde dat de hypotheekaanvraag in 2017 op onjuiste info rustte (werkgeversverklaring vs. loonspecificatie), maar de klant betwistte dat en er was een plausibele verklaring (administratieve fout). Bovendien bleek dat hij in 2017 (ook) inkomen had en aansluitend via zzp-constructie feitelijk hetzelfde werk deed bij gelieerde ondernemingen.
Het door Rabobank gestelde witwasrisico achtte de rechtbank niet aannemelijk, mede gezien de beperkte contante bedragen, het ontbreken van concrete indicaties en de gegeven verklaringen.
De gevolgen waren extreem ingrijpend: door opzegging moest de klant de hypotheek in één keer aflossen (feitelijk onhaalbaar), met reëel risico op verlies van de woning en een acuut huisvestingsprobleem voor een gezin met drie minderjarige kinderen. Dat herfinanciering of commerciële huur niet realistisch was, was onvoldoende weersproken.
De belangenafweging viel dus uit in het voordeel van de klant: Rabobank had geen “rechtens relevant belang” dat opwoog tegen de ernstige gevolgen. Resultaat: Rabobank moest de bankrelatie (inclusief hypotheek) voortzetten.
IVR-registratie: wat zegt dit vonnis daarover?
Rabobank kondigde een IVR-registratie aan voor acht jaar. Het IVR (Intern Verwijzingsregister) is een intern waarschuwingssysteem binnen financiële instellingen, dat in de praktijk grote gevolgen kan hebben voor toegang tot financiële diensten. In dit vonnis geldt: omdat de rechtbank vond dat het cliëntenonderzoek wél kon worden afgerond en beëindiging onterecht was, bestond geen grond om een eventuele IVR-registratie te handhaven. De rechtbank beval daarom verwijdering uit het IVR (voor zover al geregistreerd).
Let op: de rechtbank wees het bredere deel (“enig ander register” en “zodat u nooit nadelige gevolgen ondervindt”) af omdat dat onvoldoende was toegelicht. In procedures over registraties is het vaak essentieel om heel precies te formuleren welk register, welke grondslag en welke concrete gevolgen aan de orde zijn.
Wat betekent dit vonnis voor u bij een dreigende opzegging bankrelatie?
Dit vonnis is vooral nuttig als u in een herkenbaar traject zit: meerdere informatierondes, uw uitleg “niet voldoende”, en vervolgens opzegging met het label Wwft.
De belangrijkste aandachtspunten:
Vraag altijd: “Is dit een wettelijke opzegplicht (artikel 5 lid 3 Wwft) of een contractuele opzegging (artikel 35 ABV), of allebei?” De onderbouwing en toetsing verschillen.
Medewerking is cruciaal. Als u aantoonbaar tijdig reageert, stukken aanlevert en uitlegt wat u wel en niet kunt bewijzen, wordt het voor een bank lastiger om te stellen dat het onderzoek “niet kan worden afgerond”.
Perfecte administratie is niet altijd redelijk. Zeker bij kleinere contante bedragen verspreid over jaren kan de rechter accepteren dat niet elk detail met bonnen te staven is, zolang het verhaal consistent en plausibel is en er ondersteunende aanwijzingen zijn.
De gevolgen tellen mee. Bij opzegging van een hypotheek (opeising) kijkt de rechter scherp naar proportionaliteit: leidt opzegging tot een onevenredig hard resultaat (zoals direct verlies van de woning) terwijl het integriteitsbelang niet stevig is onderbouwd?
IVR/EVR: let op timing en formulering. Registraties kunnen een eigen juridische strijd zijn.
Financieel Recht Advocaten
Heeft u te maken met een geschil over een bankrekening, transactiemonitoring, ABV of naleving van anti-witwasregels, dan kan het zinvol zijn om tijdig juridisch inzicht te krijgen in uw positie. Financieel Recht Advocaten ondersteunt ondernemers en particulieren bij conflicten met banken en financiële instellingen over onder meer IVR- en EVR-registraties, transactiemonitoring en witwasregelgeving. U kunt vrijblijvend contact opnemen met ons.
Praktische FAQ’s
Mag een bank mijn rekening opzeggen als ik contant geld stort?
Contant storten is niet verboden, maar kan wel vragen oproepen. De bank mag (en moet)
doorvragen naar herkomst. Opzegging is pas aan de orde als het cliëntenonderzoek niet
kan worden afgerond of als er andere zwaarwegende redenen zijn. In
ECLI:NL:RBAMS:2025:9352 was het totaalbedrag en de verklaring mede reden
om géén Wwft-opzegplicht aan te nemen.
Moet ik elk contant bedrag met bonnetjes bewijzen?
Niet altijd. Zeker bij kleine bedragen over jaren kan het onrealistisch zijn om
sluitende bonnen te hebben. Wel moet u een consistent, concreet en zo veel mogelijk
onderbouwd verhaal geven (bijvoorbeeld met verklaringen, reisgegevens,
belastingaangiften of verkoopsporen). De rechtbank benadrukte dat “volledige
traceerbaarheid” niet per se vereist is om het cliëntenonderzoek te kunnen afronden.
Wat is het verschil tussen IVR en EVR?
IVR is doorgaans intern binnen (groepen van) financiële instellingen. EVR
(Extern Verwijzingsregister) werkt breder en is in de praktijk vaak ingrijpender.
De voorwaarden en toetsingscriteria (zoals proportionaliteit en incidentdefinitie)
verschillen per register. Laat altijd vaststellen in welk register u (dreigt te)
worden opgenomen en op welke grond.
Kan een bank ook mijn hypotheek opeisen?
Dat kan soms contractueel samenhangen, maar het is niet automatisch toegestaan.
In ECLI:NL:RBAMS:2025:9352 woog de rechtbank de gevolgen van
hypotheekopeising zwaar mee en achtte zij het onaanvaardbaar dat de bank deze route
koos, juist omdat geen Wwft-opzegplicht en geen bewezen fraude bestond.
Wat als de bank zich beroept op artikel 35 ABV?
Artikel 35 ABV geeft een bevoegdheid, geen blanco cheque. De bank moet haar zorgplicht
blijven naleven en een zorgvuldige belangenafweging maken. Bij zeer ingrijpende
gevolgen, zoals het directe verlies van de woning, kan opzegging in strijd zijn met
de redelijkheid en billijkheid (artikel 6:248 lid 2 BW).
Disclaimer: De informatie op deze website (over de Wwft en ABV) is geen op maat gesneden juridisch advies. Neem contact op indien u meer informatie wenst.