Bank heeft zorgplicht ten aanzien van verdachte transacties

Op 1 augustus 2008 heeft ING aan appellant een hypothecaire geldlening van € 185.000 verstrekt ten behoeve van de aankoop van een woning. Hierin is ervan uit gegaan dat appellant een inkomen heeft van € 34.252 uit dienstverband.

In december 2014 heeft appellant wegens financiële problemen de woning te koop gezet. Appellant bleef na aflossing van een deel van de hypothecaire lening met een restschuld van € 70.826,98 zitten.

De beoordeling in eerste aanleg

Appellant vordert primair een verklaring voor recht dat ING haar informatie-, zorg- en spreekplicht heeft geschonden en onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld, althans toerekenbaar is tekortgeschoten jegens hem en aansprakelijk is voor de schade die hij daardoor heeft geleden. Subsidiair heeft appellant gevorderd dat de hypotheekovereenkomst geheel of gedeeltelijk wordt ontbonden, gewijzigd of vernietigd met toekenning van schadevergoeding, omdat ING jegens appellant onrechtmatig heeft gehandeld, althans toerekenbaar tekort is geschoten.

Volgens appellant heeft ING haar zorgplicht geschonden doordat zij voorafgaand aan het verstrekken van de geldlening heeft verzwegen dat de hypotheek zou worden gesecuritiseerd. Het door de banken op de praktijk van securitisatie gebaseerde verdienmodel heeft ertoe geleid dat de huizenmarkt eerst werd opgepompt en vervolgens dat deze instortte, wat de waardedaling van de woning van appellant met zich bracht. ING had hem voor dat risico moeten waarschuwen, aldus appellant.

De rechtbank heeft overwogen dat ING in het kader van haar zorgplicht niet was gehouden appellant te waarschuwen voor het feit dat zij zich bezighield met securitisatie. Op ING rust in beginsel geen verplichting om haar klanten te informeren over haar verdienmodel. Tegen deze beslissing en de daaraan ten grondslag gelegde motivering komt appellant met zijn grieven op in hoger beroep.

De beoordeling in hoger beroep

Appellantverwijt ING dat zij ten onrechte zijn financiële vermogenspositie buiten beschouwing heeft gelaten. Volgens appellant was ING gehouden om het inkomen én het vermogen van appellant te onderzoeken en met hem te bespreken. Dat heeft ING volgens appellant niet gedaan. Het hof gaat hier niet in mee. Volgens het hof was er geen reden voor ING met eventueel vermogen rekening te houden bij het bepalen van de leencapaciteit. Door appellant is namelijk niet concreet toegelicht dat en waarom de hypothecaire geldlening die op basis van zijn inkomen is verstrekt voor appellant leidde tot een onverantwoorde kredietverstrekking, hetgeen wel op zijn weg lag, aldus het hof.

Er zijn volgens het hof ook geen reden om uit te gaan van overkreditering. Er zijn geen aanwijzingen dat voordat in 2012 bij appellant financiële problemen ontstonden, hij de woonlasten niet kon opbrengen. Ook is appellant bij het aangaan van de lening gewezen op het risico dat een restschuld zou kunnen ontstaan doordat de hypothecaire geldlening hoger was dan de getaxeerde waarde van de woning. Evenmin is dus gebleken dat ING appellant onvoldoende informatie heeft gegeven over de te verstrekken hypothecaire geldlening en de aard en omvang van de daaraan verbonden risico’s. Het hof kan niet beoordelen of securitisatie door de banken in het algemeen onrechtmatig is. De rechter kan en mag alleen een oordeel geven in een specifiek geval, op basis van de stellingen en verweren van partijen. Doordat in deze zaak dus ter beoordeling voorligt of ING een verwijt kan worden gemaakt van het verstrekken van de hypothecaire geldlening voor de woning van appellant, moet de conclusie naar het oordeel van het hof zijn dat appellant daartoe onvoldoende heeft gesteld.

Ten slotte is ook de stelling van appellant dat ING aansprakelijk is voor zijn schade tenzij ING bewijst dat deze niet het gevolg is van een gebeurtenis waarvoor ING aansprakelijk is, onvoldoende toegelicht. Appellant wijst daarbij naar ECLI:NL:HR:1992:ZC0706 (DES-dochters). Het hof concludeert dat deze stellingen onvoldoende zijn om in de onderhavige zaak tot een bijzondere verdeling van de bewijslast te kunnen leiden naar voorbeeld van de bewijslastverdeling in de DES-zaak. In de DES zaak ging het om een oplossing van een causaliteitsprobleem, terwijl zowel de onrechtmatigheid als de schade op zichzelf vaststonden. Dat is in deze zaak niet het geval.

Het hof bekrachtigt het vonnis.

Lees hier de hele uitspraak.

Financieel Recht Advocaten

Heeft u het vermoeden dat u schade heeft geleden als gevolg van slecht advies van uw hypotheekadviseur en/of bank? Neem dan hier vrijblijvend contact op met een van onze advocaten. Ons kantoor heeft ruime ervaring met het procederen tegen banken, tussenpersonen, financieel adviseurs, hypotheekadviseurs, beleggingsadviseurs alsmede vermogensbeheerders.

Rob Silvertand

Wij staan voor u klaar

  • Tegen financiële dienstverleners
  • 10+ jaar ervaring
  • Eerlijk en transparant
Laat ons u helpen Laat ons u bellen
Jip van Vlokhoven

Wij helpen u graag

  • Tegen financiële dienstverleners
  • 10+ jaar ervaring
  • Eerlijk en transparant