De consumenten hebben zich in 2010 in verband met de aankoop van een nieuwe woning voor hypotheekadvies tot de adviseur gewend. De consumenten wilden voor circa € 50.000,- aan de woning verbouwen. Daarnaast beschikten zij over eigen geld, dat zij ook deels wensten te gebruiken voor de aankoop van de woning.

Na advies en bemiddeling van de adviseur hebben de consumenten in oktober 2010 een hypothecaire geldlening voor een bedrag van € 300.000,- afgesloten bij WestlandUtrecht Bank. In maart 2017 hebben de consumenten aan de adviseur gevraagd naar de mogelijkheden om de maandlasten van de geldlening te verlagen. Na advies van de adviseur hebben de consumenten voor rentemiddeling gekozen.

De consumenten hebben in 2018 een klacht ingediend bij Kifid over de adviseur. Deze procedure is in augustus 2018 beëindigd middels een vaststellingsovereenkomst.

De klacht en vordering

De consumenten stellen dat de adviseur in 2010 toerekenbaar tekortgeschoten is en niet heeft gehandeld zoals van een redelijk handelend en redelijk bekwaam hypotheekadviseur verwacht mocht worden. Volgens de consumenten:

  • heeft de adviseur de consumenten onvoldoende geïnformeerd over de af te sluiten geldlening. Ook diende het advies alleen het belang van de adviseur.
  • kwamen het gegeven advies en de afgesloten geldlening niet overeen met de wensen van de consumenten. De afgesloten geldlening is namelijk hoger dan de consumenten wilden.
De beoordeling

De klacht van de consumenten draait in de kern om de vraag of adviseur de consumenten bij het adviseren en bemiddelen van de hypothecaire geldlening in 2010 juist en volledig heeft geïnformeerd.

De commissie verwerpt het beroep van de adviseur op de vaststellingsovereenkomst. Naar het oordeel van de commissie is echter niet komen vast te staan dat deze vaststellingsovereenkomst ook betrekking heeft op de kwaliteit van het in 2010 verstrekte hypotheekadvies.

De adviseur heeft zich verder op het standpunt gesteld dat de vordering van de consumenten op grond van artikel 3:310 lid 1 Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) is verjaard.

Volgens artikel 3:310 lid 1 BW verjaart een vordering tot schadevergoeding door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de benadeelde zowel met de schade als met de daarvoor aansprakelijke persoon bekend is geworden.

Naar het oordeel van de commissie volgt uit de vaststaande feiten dat de consumenten reeds op het moment dat zij de geldlening afsloten en in ieder geval op het moment dat de geldlening haar aanvang nam, hebben kunnen vaststellen dat de geldlening en daarmee ook het gegeven hypotheekadvies niet voldeed aan hun wensen. Naar het oordeel van de commissie was 2010 dan ook het moment als bedoeld in artikel 3:310 lid 1 BW waarop de verjaringstermijn van vijf jaren is aangevangen. Nu er sinds dat moment meer dan vijf jaren zijn verstreken slaagt het beroep op verjaring. De vordering wordt afgewezen.

Lees hier de hele uitspraak.

Financieel Recht Advocaten

Heeft u het vermoeden dat u schade heeft geleden als gevolg van slecht advies van uw hypotheekadviseur en/of bank? Neem dan hier vrijblijvend contact op met een van onze advocaten. Ons kantoor heeft ruime ervaring met het procederen tegen banken, tussenpersonen, financieel adviseurs, hypotheekadviseurs, beleggingsadviseurs alsmede vermogensbeheerders.

Rob Silvertand

Wij staan voor u klaar

  • Tegen financiële dienstverleners
  • 10+ jaar ervaring
  • Eerlijk en transparant
Laat ons u helpen Laat ons u bellen
Rob Silvertand

Wij helpen u graag

  • Tegen financiële dienstverleners
  • 10+ jaar ervaring
  • Eerlijk en transparant