Appellanten zijn broers, samen met hun vader (hierna: X sr.) staan appellanten aan het roer van familiebedrijf X.

X sr. – die appellanten in gesprekken met ABN Amro steeds vertegenwoordigde – heeft in 2005/2006 diverse gesprekken met ABN Amro gevoerd over het gedeeltelijk afdekken van het renterisico van een 10-jarige lening met een renteswap. X sr. heeft ABN Amro laten weten dat appellanten geen renteswap wilden afsluiten. ABN Amro heeft vervolgens op verzoek van appellanten afgezien van de in concept-kredietovereenkomst opgenomen voorwaarde dat het renterisico voor minimaal € 3.000.000 moest worden afgedekt. Vervolgens hebben appellanten de kredietovereenkomst getekend.

Medio 2007 hebben appellanten zich opnieuw tot ABN Amro gewend met het verzoek om (aanvullende) financiering voor de aankoop van onroerend goed. In 2007 wordt daarna toch een renteswapovereenkomst met ABN Amro gesloten. In april 2010 gaan A en B een geactualiseerde kredietovereenkomst aan met rechtsopvolger Deutsche Nederland (hierna: Deutsche).

In juli 2014 stellen appellanten zich onder meer op het standpunt dat de renteswap een voor hen ongeschikt product is en dat zij niet op de daaraan verbonden nadelen en risico’s zijn gewezen. Verder verzoeken zij Deutsche om met appellanten in overleg te treden over de beëindiging van de renteswap, verrekening van de negatieve waarde en een tegemoetkoming in de door appellanten geleden schade.

In september 2015 besluit Deutsche dat de rente die appellanten hebben betaald als gevolg van de verhoging van de opslag zal worden terugbetaald. Volgens Deutsche zal een overhedge ontstaan als de 10-jarige lening per 1 april 2016 wordt afgelost, omdat dan de hoofdsom van de renteswap hoger zal zijn dan de alsdan nog resterende hoofdsom van de 20-jarige lening. Deutsche stelt daarom twee oplossingen voor, namelijk het verlengen van de looptijd van de 10-jarige lening tot het einde van de looptijd van de renteswap of het aanpassen van de hoofdsom van de renteswap aan de hoofdsom van de resterende lening op kosten van Deutsche Nederland.

Bij brief van 18 november 2015 heeft de advocaat van appellanten de renteswap op grond van dwaling buitengerechtelijk vernietigd en ontbonden.

De rechtbank heeft in haar eindvonnis de vorderingen van appellanten gebaseerd op dwaling afgewezen.

De beoordeling in hoger beroep

Dwaling over de overhedge Appellanten stellen dat zij hebben gedwaald over de overhedge die zou ontstaan indien de 10-jarige lening zou worden afgelost.

De Bank had zich volgens het hof moeten realiseren dat onder omstandigheden herfinanciering zou kunnen uitblijven en dat bij aflossing van de 10-jarige lening dan een overhedge zou ontstaan. De Bank had appellanten daar op moeten wijzen.

Hetgeen de Bank stelt impliceert volgens het hof dat zij appellanten vooraf niet hebben geïnformeerd over de overhedge die als gevolg van de aflossing van de 10-jarige lening zou ontstaan. Gelet op het mogelijke nadeel als gevolg van de overhedge concludeert het hof dat kan worden aangenomen dat appellanten bij een juiste voorstelling van zaken de renteswap niet, althans niet onder dezelfde voorwaarden zouden hebben gesloten.

Omdat A en B het voorstel van Deutsche om de hoofdsom van de renteswap aan te passen hebben aanvaard, had Deutsche de hoofdsom van de renteswap per 1 april 2016 op eigen kosten moeten aanpassen. Dit is echter pas op 3 oktober 2016 gebeurd. Tussen appellanten en de Bank is in geschil aan wie dit te wijten is geweest. De Bank stelt onder meer dat appellanten niet tijdig de benodigde aanvullende documenten hebben getekend. Het hof merkt op dat in het e-mailbericht van 8 maart 2016 niets staat over een op appellanten rustende verplichting vooraf aanvullende documentatie te tekenen. De Bank heeft pas later als voorwaarde gesteld dat appellanten de zogenoemde EMIR-documentatie tekenden, hetgeen zij weigerden. Uit die enkele weigering mocht de Bank niet afleiden dat zij, bij nader inzien, niet wensten dat de Bank de renteswap aanpaste. Zij mocht die weigering ook niet aangrijpen als argument om de renteswap niet aan te passen. Daarom dient Deutsche het door haar gedane voorstel alsnog na te komen door aan A en B de schade te vergoeden die zij hebben geleden als gevolg van het feit dat de aanpassing van de hoofdsom van de renteswap pas op 3 oktober 2016 heeft plaatsgevonden.

De vorderingen tot vernietiging van de renteswap omtrent de opslagverhoging en de negatieve marktwaarde als gevolg van dwaling zijn beide verjaard.

Het hof verwijst de zaak naar de rol om appellaten in de gelegenheid te stellen zich uit te laten over de vraag of het bedrag van € 50.877,67 dat de Bank noemt juist is.

Lees hier de hele uitspraak.

Financieel Recht Advocaten

Heeft u het vermoeden dat u schade heeft geleden als gevolg van slecht advies van uw hypotheekadviseur en/of bank? Neem dan hier vrijblijvend contact op met een van onze advocaten. Ons kantoor heeft ruime ervaring met het procederen tegen banken, tussenpersonen, financieel adviseurs, hypotheekadviseurs, beleggingsadviseurs alsmede vermogensbeheerders.

Victor Welten

Wij staan voor u klaar

  • Tegen financiële dienstverleners
  • 10+ jaar ervaring
  • Eerlijk en transparant
Laat ons u helpen Laat ons u bellen
Rob Silvertand

Wij helpen u graag

  • Tegen financiële dienstverleners
  • 10+ jaar ervaring
  • Eerlijk en transparant