Uitspraak: Anti-witwasaanpak door banken: Rekenkamer ziet grote gevolgen en weinig inzicht in effectiviteit

“De anti-witwasaanpak mag ingrijpend zijn, maar moeten wel begrijpelijk, risicogericht en proportioneel blijven. De Algemene Rekenkamer concludeert dat de huidige anti-witwasaanpak in de bankensector voor sommige burgers en bedrijven grote gevolgen heeft, terwijl onvoldoende duidelijk is wat die aanpak concreet oplevert. Volgens de Rekenkamer is daardoor van een effectieve en risicogebaseerde aanpak onvoldoende sprake en zijn er bovendien aanwijzingen dat de aanpak in de praktijk tot ongelijke behandeling kan leiden.”

Op 11 maart 2026 is het rapport “Gevolgen groot, opbrengsten onbekend”, met als ondertitel “Onderzoek naar de anti-witwasaanpak in de bankensector”, door de Algemene Rekenkamer aan de Tweede Kamer aangeboden. De Rekenkamer onderzocht onder meer de gevolgen van de anti-witwasaanpak voor PEP’s, religieuze instellingen en horecaondernemers, en keek daarnaast naar de rol van onder meer DNB en FIU-Nederland. De kernconclusie is scherp: van een effectieve en risicogebaseerde anti-witwasaanpak is volgens de Rekenkamer onvoldoende sprake, terwijl sommige burgers en bedrijven juist zwaar worden geraakt en er aanwijzingen zijn voor discriminatie. Daarmee biedt het rapport relevante aanknopingspunten voor discussies over cliëntenonderzoeken, rekeningbeperkingen of -opzeggingen en andere Wwft-gerelateerde conflicten tussen banken en klanten.


Waarom is dit rapport juridisch zo belangrijk voor Wwft-conflicten?

Banken hebben op grond van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren terrorisme (Wwft) een poortwachtersfunctie. Zij moeten cliëntenonderzoek verrichten, ongebruikelijke transacties melden bij de FIU en in bepaalde gevallen verscherpt cliëntenonderzoek uitvoeren. Daarbij schrijft de Wwft een risicogebaseerde benadering voor. Dat betekent dat controles en maatregelen moeten aansluiten bij het daadwerkelijke risico op witwassen. De Algemene Rekenkamer benadrukt dat een effectieve en efficiënte aanpak juist daarop moet berusten, mede in het licht van de financiële omvang van het probleem, en concludeert dat daarvan in de praktijk onvoldoende sprake is.

Dat is voor geschillen met banken relevant, omdat een beroep op “de Wwft” op zichzelf niet volstaat om iedere ingrijpende controlemaatregel te rechtvaardigen. Ook binnen de anti-witwasaanpak moeten grondrechten worden gerespecteerd, waaronder het verbod op discriminatie. De Rekenkamer wijst erop dat onderscheid tussen groepen alleen verdedigbaar is als dat onderscheid gerechtvaardigd is, en dat juist een aantoonbaar effectieve en op risico’s gebaseerde aanpak daarvoor van belang is. Tegen die achtergrond biedt het rapport duidelijke aanknopingspunten voor juridische discussies over de proportionaliteit van maatregelen, de onderbouwing van risicobeoordelingen en de vraag of klantgroepen in de praktijk ongerechtvaardigd ongelijk worden behandeld.


Wat heeft de Algemene Rekenkamer precies onderzocht?

De Rekenkamer werkte langs twee sporen. In het eerste spoor onderzocht zij welke gevolgen de anti-witwasaanpak in de praktijk heeft voor drie groepen: PEP’s, religieuze instellingen en horecaondernemers. In het tweede spoor keek zij naar de bijdrage van DNB en FIU-Nederland aan de anti-witwasaanpak en naar de informatie die daar bij deze instanties over beschikbaar is. Daarnaast is ook gekeken naar de rol van de ministers van Financiën en van Justitie en Veiligheid binnen het stelsel.

Het onderzoek is in hoofdzaak afgebakend tot de periode van 10 januari 2020 tot 1 juli 2024, waarbij voor de ministeries ook latere beleidsstukken zijn betrokken. Bij de FIU analyseerde de Rekenkamer 1.015 meldingen van ongebruikelijke transacties van acht banken uit 2023, terwijl bij DNB de toezichtdossiers van acht banken in detail zijn onderzocht.

Die onderzoeksopzet is relevant omdat de Rekenkamer niet alleen naar beleidsdocumenten heeft gekeken, maar ook naar de uitwerking van het stelsel voor concrete groepen burgers en bedrijven en naar de informatiepositie van toezichthouders en ketenpartners. Voor cliënten met een bankconflict is dat van belang, omdat in dit soort zaken vaak niet alleen de formele regels tellen, maar juist ook de feitelijke gevolgen van controles, aanvullende vragen, rekeningbeperkingen of beëindiging van de bankrelatie.


Welke burgers en instellingen worden het hardst geraakt?

Uit het rapport blijkt dat de gevolgen van de anti-witwasaanpak sterk verschillen per groep. De horecaondernemers die de Rekenkamer sprak, meldden doorgaans weinig last te hebben van bankcontroles. Ongeveer 70% zei geen ervaringen met controles door banken te hebben. Als er wel controle plaatsvond, ging het meestal om relatief lichte informatieverzoeken, bijvoorbeeld naar aanleiding van een contante storting. Negatieve gevolgen deden zich in deze groep volgens de Rekenkamer nauwelijks voor.

Bij PEP’s ligt dat anders. Meer dan 90% van de PEP’s die de Rekenkamer bevroeg, gaf aan in de onderzoeksperiode door de bank te zijn gecontroleerd. Daarbij bleef het niet altijd bij informatieverzoeken: ook rekeningblokkades, sluiting van rekeningen, weigering als klant en financieringsweigeringen kwamen voor. Daarnaast zei 60% dat ook familieleden werden gecontroleerd. Volgens de Rekenkamer leidt dit niet alleen tot administratieve lasten, maar ook tot emotionele belasting; met name controle van ouders en kinderen wordt door betrokkenen als disproportioneel ervaren.

Ook religieuze instellingen ervaren ingrijpende gevolgen, al bestaan ook binnen die groep duidelijke verschillen. Alle religieuze instellingen waarmee de Rekenkamer sprak, hadden te maken met controlemaatregelen en de gevolgen daarvan. Volgens het rapport worden moskeeën en migrantenkerken vaker en ingrijpender gecontroleerd dan katholieke en protestantse kerken. Voor die laatste groepen lagen de zwaarste problemen vaker in het verleden; nu gaan vragen vaker over bestuurswisselingen en tekenbevoegdheid. Moskeeën geven daarentegen aan dat zij nog steeds regelmatig vragen krijgen over transacties, zowel binnenlands als buitenlands, ook wanneer die niet per se met contante collectes samenhangen.


Waarom spreekt de Rekenkamer van aanwijzingen voor discriminatie?

De Rekenkamer zegt niet dat ieder onderscheid tussen groepen automatisch verboden discriminatie oplevert. Dat is juridisch ook juist: in een risicogebaseerde anti-witwasaanpak kan onderscheid tussen groepen toelaatbaar zijn, mits daarvoor een plausibele en gerechtvaardigde verklaring bestaat. Juist daar plaatst de Rekenkamer vraagtekens bij. Zij spreekt van aanwijzingen dat de anti-witwasaanpak in de praktijk discriminerend uitpakt, omdat zij onderscheid ziet zonder dat daarvoor een plausibele verklaring of rechtvaardiging zichtbaar is.

Een belangrijk signaal komt uit het onderzoek in de FIU-database. Daaruit bleek dat 61,8% van 217 onderzochte meldingen betrekking had op iemand met een buitenlands klinkende naam. Volgens de Rekenkamer staat dat niet in verhouding tot het aantal mensen met een migratieachtergrond in Nederland. De Rekenkamer erkent dat een deel hiervan kan samenhangen met objectieve factoren, zoals toepassing van sanctieregels en de lijst met hoogrisicolanden van de FATF, maar merkt op dat niet zeker is dat daarmee de volledige oververtegenwoordiging wordt verklaard.

Een tweede belangrijk signaal betreft de behandeling van moskeeën. De Rekenkamer constateert dat moskeeën vaker vragen krijgen over doel en herkomst van transacties en dat dit verschil, voor zover vergelijkbaar met katholieke en protestantse kerken, niet overtuigend wordt verklaard door contante collectes of alleen buitenlandse transacties. Dat verschil in behandeling ziet de Rekenkamer als aanwijzing van discriminatie.

Daarbij weegt ook mee dat de minister van Financiën sinds 2022 signalen van mogelijke discriminatie ontvangt van islamitische organisaties en dat ook DNB en de minister in beleid en onderzoek spreken over discriminatie of ervaren discriminatie in de bankensector.

Juridisch is dat relevant, omdat een beroep op risico’s alleen overtuigt als dat onderscheid ook daadwerkelijk kan worden gerechtvaardigd. De Rekenkamer benadrukt dat een onderscheid tussen groepen burgers en bedrijven alleen verdedigbaar is als de anti-witwasaanpak aantoonbaar werkt en op risico’s is gebaseerd. Juist omdat volgens de Rekenkamer inzicht in die effectiviteit ontbreekt, ontbreekt daarmee ook een noodzakelijk onderdeel van die rechtvaardiging. Dat biedt in geschillen met banken aanknopingspunten om kritisch te kijken naar de onderbouwing van zwaardere controles of afwijkende behandeling van specifieke klantgroepen.


Wat zegt het rapport over de effectiviteit van anti-witwascontroles?

De Rekenkamer concludeert dat er weinig inzicht is in de resultaten van de anti-witwasaanpak. Het voorkomen van witwassen is lastig te bewijzen, maar juist daarom is het van belang dat het stelsel beter wordt gemeten en geëvalueerd. Volgens de Rekenkamer gebeurt dat onvoldoende.

De ministers van Financiën en Justitie en Veiligheid hebben nog geen overkoepelende evaluatie van de opbrengsten van de anti-witwasaanpak uitgevoerd. Ook heeft DNB geen inzicht in de mate waarin banken door haar toezicht beter in staat zijn om witwassen te voorkomen. DNB richt zich in haar toezicht vooral op de vraag of banken procedures hebben om witwassen te herkennen. De FIU controleert meldingen bij ontvangst alleen op de minimale wettelijke vereisten en analyseert de kwaliteit van meldingen niet zelf.

Voor de opsporingskant zijn goede meldingen essentieel. De Rekenkamer analyseerde 1.015 meldingen van ongebruikelijke transacties en zag grote kwaliteitsverschillen tussen banken. Bij sommige banken lag de gemiddelde kwaliteit beduidend hoger dan bij andere. Ook zag de Rekenkamer meldpieken waarbij in korte tijd veel meldingen tegelijk werden gedaan; bij een van de grootbanken lag de gemiddelde kwaliteit tijdens zo’n piek duidelijk lager, onder meer door het gebruik van standaardteksten zonder inhoudelijke toelichting.

Tegen die achtergrond blijft onvoldoende duidelijk in hoeverre de stijging in het aantal meldingen ook leidt tot effectievere opsporing.

Voor cliënten van banken is dit meer dan een beleidsdiscussie. Het rapport laat zien dat meer controles en meer meldingen niet vanzelfsprekend betekenen dat de anti-witwasaanpak ook effectiever wordt. In een geschil over een rekeningopzegging of blokkade kan dat relevant zijn bij de vraag of een bank zich voldoende heeft gebaseerd op een concrete, individueel gemotiveerde risicoafweging, in plaats van vooral op procesdruk, aantallen of generieke controlepatronen.


Hoe hoog zijn de kosten, en wat zegt dat over proportionaliteit?

De kosten zijn aanzienlijk. De door de Rekenkamer onderzochte banken gaven bij DNB aan in 2021 ongeveer € 1,16 miljard aan Wwft-kosten te maken. In 2024 was dat circa € 1,6 miljard. Gecorrigeerd voor inflatie gaat het om een stijging van 16,7% tussen 2021 en 2024. Daarnaast zetten deze banken in 2024 ongeveer 13.000 fte in voor anti-witwascontroles.

Daartegenover staat een veel kleinere personele inzet bij DNB en de FIU: ongeveer 19 à 20 fte voor het integriteitstoezicht op banken bij DNB en 64 fte bij de FIU. De Rekenkamer benadrukt dat bij zulke grote inzet van mensen en middelen ook zichtbaar moet zijn welke maatschappelijke opbrengst daar tegenover staat, en concludeert dat dit inzicht nu ontbreekt.

Voor ondernemers en particulieren die de gevolgen direct voelen, is dat meer dan een beleidsmatige constatering. De Rekenkamer wijst erop dat een deel van de kosten van banken wordt doorberekend aan klanten en dat bepaalde groepen burgers en bedrijven te maken krijgen met extra administratieve lasten, ingrijpende controles, problemen bij het openen of behouden van een rekening en beperkingen in het betalingsverkeer. Tegen die achtergrond wordt in juridische geschillen des te relevanter of een maatregel voldoende is toegespitst op het concrete risico en of de ingrijpende gevolgen voor de klant nog in redelijke verhouding staan tot het nagestreefde doel.


Wat is de rol van DNB volgens de Rekenkamer?

DNB houdt integriteitstoezicht op banken en heeft daarvoor een risicogebaseerde toezichtsystematiek ontwikkeld. De Rekenkamer oordeelt dat de opzet van dat toezicht in de basis goed is, omdat zij DNB in staat stelt om beredeneerd en risicogebaseerd toezicht te houden.

Tegelijk constateert de Rekenkamer dat de praktijk daar nog maar beperkt bij aansluit. Bij 6 van de 8 onderzochte banken heeft DNB interventies gedaan en banken zitten vaak langdurig in hersteltrajecten. Die trajecten worden regelmatig verlengd, waardoor einddata steeds verder opschuiven. De Rekenkamer trof in de dossiers geen evaluaties aan van de vraag waarom die hersteltrajecten zo lang duren.

Daarnaast is van belang dat DNB volgens de Rekenkamer zelf heeft aangegeven dat haar strenge optreden mogelijk heeft bijgedragen aan niet-risicogebaseerde controles door banken. In gesprekken en interne documenten zou DNB hebben erkend dat banken mede door schikkingen, boetes, strenge eisen in hersteltrajecten en onduidelijkheid rond open normen meer zijn gaan doen dan nodig is, ook in situaties waarin geen witwasrisico bestaat.

De Rekenkamer merkt daarbij wel expliciet op dat zij deze verklaringen van DNB niet zelfstandig verder heeft onderzocht.

Voor geschillen met banken is dat relevant, omdat toezichtsdruk wel context kan bieden, maar niet automatisch elke vergaande controlemaatregel rechtvaardigt. Juist wanneer banken zich beroepen op de Wwft of op toezicht van DNB, blijft van belang of in het concrete dossier voldoende kan worden onderbouwd waarom een maatregel nodig was en of die maatregel nog risicogebaseerd is.


Wat zegt het rapport over toegang tot het betalingsverkeer?

Sinds 2022 staat “toegang tot het betaalverkeer” nadrukkelijk op de beleidsagenda. Volgens de Rekenkamer kwam dat onderwerp op de agenda vanwege signalen van de-risking: banken die afscheid nemen van bepaalde categorieën klanten omdat zij de risico’s van die klanten te hoog vinden.

Wanneer meerdere banken dat doen, kunnen ondernemers of instellingen in de knel komen doordat zij nergens meer een zakelijke rekening kunnen openen.

Sinds 2022 zoekt de minister samen met de sector naar manieren om bedrijven in sectoren met een hoog witwasrisico toegang tot het betalingsverkeer te laten behouden. Nederland wil in Europa bovendien pleiten voor een Europees recht op toegang tot een zakelijke betaalrekening. Als die inzet niet tot voldoende resultaat leidt, worden ook nationale maatregelen zoals een wettelijk recht op een zakelijke basisbetaalrekening overwogen.

Voor cliënten met een bestaand conflict over een opgezegde rekening is dat een praktisch en juridisch relevant punt. Een bankrelatie is voor veel ondernemers en instellingen geen luxe, maar een basisvoorwaarde om te kunnen deelnemen aan het economisch en maatschappelijk verkeer. Dat betekent niet dat opzegging nooit mogelijk is, maar wel dat bij zulke ingrijpende gevolgen des te belangrijker wordt dat een bank haar beslissing zorgvuldig en concreet kan onderbouwen.


Wat betekent dit rapport concreet voor uw conflict met de bank?

Dit rapport betekent niet dat een klant in een procedure automatisch gelijk krijgt. Wel maakt het duidelijk welke vragen in discussies over anti-witwasmaatregelen relevant kunnen zijn.

In geschillen rond Wwft-maatregelen draaien discussies vaak om vragen zoals:

  • Welke concrete feiten maken dat een bank bij deze klant een verhoogd risico ziet?
  • Heeft de bank toegelicht waarom minder ingrijpende maatregelen niet volstonden?
  • Is een informatieverzoek nog proportioneel in verhouding tot het risico?
  • Wordt een klant anders behandeld dan vergelijkbare klanten, en zo ja waarom?
  • Zijn maatregelen gebaseerd op objectieve risico-indicatoren of op bredere profielkenmerken?

Het Rekenkamerrapport plaatst deze vragen in een bredere context. De Rekenkamer constateert dat de huidige anti-witwasaanpak in de bankensector volgens haar onvoldoende risicogebaseerd is, dat er beperkt inzicht bestaat in de effectiviteit van de maatregelen en dat er aanwijzingen zijn dat de aanpak in de praktijk discriminerend kan uitpakken. Daarmee onderstreept het rapport dat een zorgvuldige en goed onderbouwde toepassing van anti-witwasmaatregelen belangrijk blijft.


Conclusie

Dit rapport laat zien dat anti-witwascontroles ingrijpend kunnen zijn voor burgers, ondernemers en instellingen, terwijl volgens de Algemene Rekenkamer onvoldoende duidelijk is wat de huidige aanpak concreet oplevert. De Rekenkamer plaatst daarmee kritische kanttekeningen bij de mate waarin de anti-witwasaanpak in de bankensector daadwerkelijk risicogebaseerd, effectief en in alle gevallen goed te rechtvaardigen is.

Juist daarom is het rapport relevant voor discussies over cliëntenonderzoek, rekeningbeperkingen, opzegging van bankrelaties en andere Wwft-gerelateerde maatregelen.

Tegelijk maakt het rapport duidelijk dat de juridische betekenis ervan in een concreet geschil altijd afhangt van het individuele dossier. Doorslaggevend blijven de specifieke feiten, de motivering van de maatregel en de wijze waarop de bank haar risicobeoordeling in dat geval heeft onderbouwd.

Financieel Recht Advocaten behandelt geschillen met banken en financiële dienstverleners, waaronder zaken over Wwft-controles, rekeningopzeggingen, hypotheekopzeggingen en EVR/IVR-registraties. Wie hierover een bestaande kwestie wil bespreken, kan vrijblijvend contact opnemen.


Disclaimer: De informatie op deze website is geen op maat gesneden juridisch advies. Neem contact op indien u meer informatie wenst.


Praktische FAQ’s

Mag een bank op grond van de Wwft veel documenten opvragen?

Een bank mag in het kader van de Wwft cliëntenonderzoek doen en daarbij informatie opvragen. Volgens de Rekenkamer hangt de intensiteit van dat onderzoek af van de risicobeoordeling die de bank maakt van de klant. De Wwft is in Nederland principle-based en schrijft een risicogebaseerde benadering voor. De Rekenkamer plaatst juist op dat punt kritiek: zij concludeert dat de huidige aanpak in de praktijk onvoldoende risicogebaseerd is en dat sommige groepen daardoor zware gevolgen ervaren. Het rapport zegt dus niet dat elke uitgebreide informatievraag onrechtmatig is, maar wel dat de aanpak volgens de Rekenkamer beter moet aansluiten op feitelijke risico’s.

Is een PEP-status genoeg om een lening of rekening te weigeren?

Het rapport zegt niet dat een PEP-status op zichzelf automatisch voldoende is om een lening of rekening te weigeren. Wel laat de Rekenkamer zien dat PEP’s in de praktijk vaak zwaar worden gecontroleerd: meer dan 90% van de bevraagde PEP’s zegt gecontroleerd te zijn, en naast informatieverzoeken kwamen ook blokkades, rekening­sluitingen, financieringsweigeringen en weigering als klant voor. De Rekenkamer beschrijft ook dat PEP’s vaak te horen krijgen dat hun PEP-status de reden is voor de maatregel. Tegelijk blijft de algemene lijn van het rapport dat controles en maatregelen risicogebaseerd moeten zijn.

Bewijst dit rapport dat banken discrimineren?

Nee, niet in de zin dat het rapport vaststelt dat in iedere individuele zaak sprake is van verboden discriminatie. De Rekenkamer formuleert het voorzichtiger: zij ziet aanwijzingen dat de anti-witwasaanpak in de praktijk discriminerend uitpakt. Daarbij maakt zij ook expliciet de kanttekening dat zij geen onderzoek bij banken heeft gedaan en dus niet weet welke concrete criteria banken hanteren. De aanwijzingen baseert zij onder meer op de oververtegenwoordiging van meldingen over personen met een buitenlands klinkende achternaam en op verschillen in behandeling tussen moskeeën en migrantenkerken enerzijds en katholieke en protestantse kerken anderzijds.

Is er hoger beroep mogelijk tegen dit rapport?

Nee. Dit rapport is een onderzoeksrapport van de Algemene Rekenkamer en geen rechterlijke uitspraak of bestuursrechtelijk besluit. Er staat dus geen gewoon rechtsmiddel zoals hoger beroep tegen open. Wel bevat het rapport bestuurlijke reacties van de ministers en van DNB. De ministers schrijven dat zij de Kamer in het najaar van 2026 opnieuw zullen informeren en dat zij de resultaten van de anti-witwasaanpak verder inzichtelijk willen maken. De Rekenkamer merkt daar in haar nawoord tegenover op dat het voornemen om de aanpak concreet risicogebaseerd in te richten al in 2019 met de Kamer was gedeeld.

Zegt het rapport dat meer controles ook betere resultaten opleveren?

Nee, juist niet. De Rekenkamer zegt dat er beperkt inzicht is in de resultaten van de anti-witwasaanpak. Het toegenomen aantal meldingen kan erop wijzen dat banken beter zijn geworden in het herkennen van ongebruikelijke transacties, maar dat hoeft volgens het rapport niet zo te zijn: het kan ook het gevolg zijn van overmatige controles en een focus op kwantiteit ten koste van kwaliteit. De Rekenkamer zag bovendien grote kwaliteitsverschillen tussen meldingen van banken, terwijl de FIU de kwaliteit van meldingen niet zelf analyseert.

Wat zegt het rapport over de rol van DNB?

De Rekenkamer oordeelt dat het integriteitstoezicht van DNB in opzet risicogebaseerd is, maar dat de praktijk daar nog beperkt bij aansluit. Zij beschrijft langdurige hersteltrajecten, een relatief kleine toezichtcapaciteit en het ontbreken van evaluaties waarom hersteltrajecten zo lang duren. Daarnaast constateert de Rekenkamer dat DNB naar eigen zeggen heeft bijgedragen aan een risicomijdende houding bij banken, waardoor banken meer zijn gaan doen dan nodig is, ook als er geen risico is op witwassen. Daarbij merkt de Rekenkamer wel op dat zij die verklaringen van DNB niet zelf verder heeft kunnen onderzoeken.

Jamiro van de Wiel

Wij staan voor u klaar

  • Tegen financiële dienstverleners
  • 20+ jaar ervaring
  • Eerlijk en transparant
Neem contact op

Wij helpen u graag

  • Tegen financiële dienstverleners
  • 20+ jaar ervaring
  • Eerlijk en transparant